Eén van de meest controversiële geloofsopvattingen die Getuigen van Jehovah huldigen is het standpunt inzake bloedtransfusies. Dit standpunt is gebaseerd op de geïnspireerde verklaring van Lukas uit Handelingen: "Want het heeft de heilige geest en ons goedgedacht U geen verdere last toe te voegen dan deze noodzakelijke dingen: 'U te blijven onthouden van dingen die aan afgoden ten slachtoffer zijn gebracht en van bloed en van al wat verstikt is en van hoererij.'" (Handelingen 15:28, 29) Deze tekst wordt in dit artikel verder aangeduid als het Apostolische Decreet (A.D.).

In de recente geschiedenis zijn vooral de medische aspecten van bloed volop belicht in de publicaties van het Wachttorengenootschap. Naast de vier hoofdbestanddelen waaruit dit rode levenssap bestaat, zijn de verschillende fracties die uit bloed kunnen worden gedestilleerd aan de orde gekomen. Aan de hand van medische naslagwerken zijn lijsten opgesteld met aanvaardbare en verboden bloedfracties. Gelet op de keuzemogelijkheden van het laatste ‘medisch document' wordt het nu aan het eigen geweten overgelaten welke fracties we in voorkomende gevallen zullen of kunnen aanvaarden.

Wanneer je als één van Jehovah's Getuigen het bovengenoemde ‘medisch document' wilt invullen, blijkt de bloedfractie problematiek allerminst eenvoudig. Om hierin gewetensvol een beslissing te kunnen nemen moet men kennis te hebben van diverse medische aspecten van bloed. Deze specifieke kennis gaat velen van hen logischerwijs boven de pet.

Het tot stand komen van het zogenoemde Apostolische Decreet (A.D.) gebeurde juist in de geest van vereenvoudiging. Geen honderden ingewikkelde wetten en regels meer zoals die onder de Mozaïsche Wet golden, maar slechts vier eenvoudige, weliswaar noodzakelijke geboden waaraan christenen zich voortaan dienden te houden. Het verslag in Handelingen hoofdstuk 15 laat hierover het volgende zien: "Daarom is mijn beslissing om degenen uit de natiën die zich tot God keren, niet lastig te vallen" en "Want het heeft de heilige geest en ons goedgedacht U geen verdere last toe te voegen dan deze noodzakelijke dingen:..." (vers 19 en 28)

Wanneer een Jehovah's Getuige wil bepalen hoe God over bloed en bloedtranfusies denkt, zou hun speciale aandacht niet naar de diverse medische aspecten van bloed uit moeten gaan, maar naar Jehovah's kijk op de bloedkwestie. Gelet op de formulering van het A.D., is het juist een geestelijke aangelegenheid, want Gods werkzame kracht had kennelijk een aandeel aan het tot stand komen van die beslissing: “Het heeft de Heilige Geest en ons goedgedacht…” (vers 28)

Daarom zou een ieder het erover eens moeten zijn dat hetgeen de bijbel over het onderwerp te zeggen heeft voor Jehovah's Getuigen van doorslaggevend belang zou moeten zijn.

Bij ons schriftuurlijke onderzoek zullen de volgende 3 vragen centraal staan:

  1. Waarom werd het A.D. uitgevaardigd?
  2. Voor wie gelden de bepalingen van het A.D.?
  3. Wat wordt bedoeld met de uitdrukking ‘u te blijven onthouden ... van bloed', uit Handelingen 15:29?

WAAROM WERD HET A.D. UITGEVAARDIGD?

In de eerste eeuw heerste onder veel christenen met een joodse achtergrond een onjuiste zienswijze met betrekking tot redding. Het bijbelverslag vermeldt dat toen Paulus en Barnabas in Antiochië waren, "…er zekere mannen uit Judea [kwamen], die de broeders begonnen te leren: 'Indien GIJ U niet laat besnijden naar het gebruik van Mozes, kunt GIJ niet worden gered.'" (Handelingen 15:1)

Van de zijde van Paulus en Barnabas ontstond hierover met deze judese mannen een flink meningsverschil en een woordenstrijd. Als gevolg hiervan werden er regelingen getroffen dat zij met een delegatie naar Jeruzalem gingen om dit geschil met de apostelen en de oudere mannen te bespreken. Kennelijk lag de bron van dit meningsverschil dáár in Jeruzalem, in het hart van het joodse religieuze centrum. Jeruzalem lag immers in het district Judea waar deze mannen vandaan kwamen.

Nadat Paulus en Barnabas in Jeruzalem waren aangekomen bleek al snel dat deze onjuiste kijk op redding juist dáár heerste. Lukas vond het opmerkelijk genoeg om onder leiding van de heilige geest te schrijven: "Maar sommigen van hen die afkomstig waren uit de sekte der Farizeeën en die gelovigen waren geworden, stonden van hun zitplaats op en zeiden: 'Het is noodzakelijk dat men hen besnijdt en hun gelast de wet van Mozes te onderhouden.'" (vers 5)

Deze wettische kijk op redding stond haaks op het goede nieuws dat Jezus Christus had bekendgemaakt. Als gevolg van deze onjuiste kijk op redding ontstond er verdeeldheid onder de toenmalige christenen. Paulus maakt dit in zijn brief aan de Galaten duidelijk, en vermeldt dat zelfs Jakobus, die deelnam aan dit eerste apostolische concilie, deze onjuiste houding huldigde. Over zijn eerder vermelde verblijf in Antiochië schreef hij: "Toen Cefas echter te Antiochië kwam, weerstond ik hem van aangezicht tot aangezicht omdat hij te laken was. Want voordat er zekere mensen van Jakobus waren gekomen, at hij altijd met mensen uit de natiën, maar toen die waren aangekomen, ging hij zich terugtrekken en afzonderen, uit vrees voor hen die tot de klasse der besnedenen behoorden. Ook de overige joden sloten zich bij hem aan in het aannemen van deze schijn, zodat zelfs Barnabas werd meegesleept in hun schijn." (Galaten 2:11-13)

Onder de Mozaïsche Wet was het de Joden immers verboden omgang te hebben met mensen uit de natiën. Zoals uit bovenstaande verzen is te herleiden, hield Jakobus nog steeds vast aan deze regel en hechtte daar kennelijk nog enige waarde aan. Vanwege de komst van die ‘zekere mensen van Jakobus', werd Cefas (apostel Petrus) door mensenvrees bevangen en gedroeg hij zich schijnheilig.

Toen het A.D. echter werd geformuleerd en middels een brief werd overgebracht klaarde dit enigszins de lucht onder hen en had het een gunstige uitwerking op de broeders in Antiochië: "Na die gelezen te hebben, verheugden zij zich over de aanmoediging." (vers 31)

VOOR WIE GELDEN DE BEPALINGEN VAN HET A.D.?

De Joden hadden reeds eeuwen lang in een verbondsverhouding met hun God Jehovah geleefd, en werden daarom een 'uitverkoren natie' genoemd. Tevens hadden zij de belofte gekregen dat de Messias uit hun gelederen zou voortkomen. Dan is het te begrijpen dat voor de volgelingen van Christus het Jodendom als uitgangspunt werd genomen. Jezus zelf verklaarde immers het volgende tegenover een fenicische vrouw die barmhartigheid wilde ontvangen voor haar dochter, die door een demon was bezeten: "Ik ben slechts tot de verloren schapen van het huis van Israël gezonden." (Mattheüs 15:24)

Aangezien zij als volk niet langer uitverkoren waren en zagen dat 'mensen der natiën' gelovigen werden doordat zij geloof gingen stellen in het verzoenende offer van Jezus, voelden velen zich toch nog superieur aan hen. Vandaar dat de meer orthodox ingestelde Joden verlangden dat deze 'mensen der natiën' zich zouden houden aan de Mozaïsche wetten, en de besnijdenis in het bijzonder.

Het was met name Paulus die zich (on)sterfelijk maakte met het bestrijden van deze onchristelijke opvatting. In zijn brief aan de Galaten benadrukte hij dit aspect. Hij schrijft dan ook: "Wij die van nature joden zijn en geen zondaars uit de natiën, en die weten dat een mens niet ten gevolge van werken der wet rechtvaardig verklaard wordt, maar alleen door middel van geloof jegens Christus Jezus, ook wij hebben ons geloof in Christus Jezus gesteld, opdat wij ten gevolge van geloof jegens Christus rechtvaardig verklaard mogen worden en niet ten gevolge van werken der wet, want ten gevolge van werken der wet zal geen vlees rechtvaardig verklaard worden." (Galaten 2:15, 16)

Later schreef hij: "Want met betrekking tot Christus Jezus heeft noch besnijdenis noch onbesnedenheid enige waarde, maar geloof dat werkzaam is door middel van liefde." (Galaten 5:6)

Hij beredeneert dat vasthouden aan de besnijdenis betekent dat we het offer van Christus aan de martelpaal waardeloos zullen maken: "Wat mij betreft, broeders, indien ik nog de besnijdenis predik, waarom word ik dan nog vervolgd? Dan is inderdaad het struikelblok van de martelpaal tenietgedaan." (Galaten 5:11)

Tijdens die memorabele vergadering over deze kwestie, nadat hierover eerst een hevige woordenstrijd was ontstaan, maakte zowel Petrus als Jakobus hun verworven inzicht kenbaar. Petrus benadrukt zijn ervaring dat ook ‘mensen der natiën' de heilige geest van God hadden ontvangen en beargumenteert dan: “Waarom stelt GIJ God nu daarom op de proef door de discipelen een juk op de hals te leggen dat noch onze voorvaders noch wij hebben kunnen dragen?” (vers 10) Jakobus verwijst naar de woorden van de profeet Amos en past deze toe op het samensmelten van een Joods overblijfsel ‘tezamen met mensen uit alle natiën, mensen die naar mijn naam [Jehovah] zijn genoemd.' (vers 17)

De uitkomst van deze vergadering maakte duidelijk dat het niet langer noodzakelijk was de Wet van Mozes te onderhouden en er dus ook géén vleselijke besnijdenis werd vereist om gered te kunnen worden. Deze ‘mensen der natiën' hadden in vergelijking met de Joden echter wel afwijkende achtergronden. Onder hen vierde onder andere hoererij en afgoderij hoogtij. Om die reden noemde Paulus hen in zijn Galaten brief ‘zondaars uit de natiën'.

Vandaar dat het A.D. slechts aan de 'mensen der natiën' werd gegeven: "Daarom is mijn beslissing om degenen uit de natiën die zich tot God keren, niet lastig te vallen,..." (vers 19)

De brief met het A.D. die als gevolg van die beslissing werd geschreven had de volgende aanhef: "De apostelen en de oudere mannen, broeders, aan de broeders in Antiochië en Syrië en Cilicië die uit de natiën zijn: Gegroet!..." (vers 23)

Later wanneer Paulus, aan het einde van zijn derde zendingsreis, in Jeruzalem aankomt, was er opnieuw (of nog steeds) commotie over de 'afval van Mozes' die hij volgens de Joden onder hen predikte die onder de natiën leefden. Het waren toen Jakobus en de oudere mannen die het A.D. nogmaals in herinnering brachten: "Wat de gelovigen uit de natiën aangaat, wij hebben hun onze beslissing doen toekomen dat zij zich dienen te wachten voor datgene wat aan afgoden ten slachtoffer is gebracht, en ook voor bloed en voor wat verstikt is en voor hoererij." (Handelingen 21:21, 25)

Betekende dit dat de joodse christenen zich niet hoefden te ‘onthouden van bloed', omdat het A.D. expliciet voor de ‘mensen der natiën' gold?

Indien dit zo zou zijn dan zou wederom verdeeldheid ontstaan tussen de christenen. Het A.D. kwam juist tot stand om eenheid te bewerkstelligen. Maar de christenen met hun joodse antecedenten hielden zich reeds aan de verordeningen vanwege de Mozaïsche Wet die zij nog steeds onderhielden. Dit was immers juist de inzet van dit geschil. Zij waren dus al van ‘huis uit' gewend om zich aan deze regels te houden. Kennelijk doelt Jakobus hierop aan het einde van zijn betoog tijdens de vergadering over de besnijdeniskwestie. Na de feitelijke verordening gegeven te hebben, besluit hij met de woorden: “Want van oudsher heeft Mozes in stad na stad mensen gehad die hem prediken, omdat hij elke sabbat in de synagogen wordt voorgelezen.” (vers 21)

WAT WORDT BEDOELD MET DE UITDRUKKING 'U TE BLIJVEN ONTHOUDEN ... VAN BLOED' UIT HANDELINGEN 15:29

Zoals we in het voorgaande gedeelte hebben besproken werd het Apostolische Decreet met name gegeven aan ‘de mensen der natiën'. Hoe kon Jakobus dan verordenen dat zij zich moesten blijven onthouden … van bloed' , terwijl zij niet onder de Mozaïsche Wet stonden?

Het antwoord is eenvoudig: de verordening inzake bloed bestond al ver vóór de tijd van Mozes. Deze dateert al uit de dagen van Noach. Al was de Mozaïsche wet met Christus' offer vervuld, dan nog bleef het eerder uitgevaardigde gebod inzake bloed onverminderd van kracht, getuige het A.D. Deze wet aan Noach gold voor zijn gehele nageslacht, dus inclusief de ‘mensen der natiën'. Sindsdien is deze verordening nooit herroepen en is derhalve nog steeds van kracht voor hedendaagse christenen.

Maar wat behelsde het Goddelijke gebod aan Noach inzake bloed?

Na de zondvloed kreeg Noach nieuwe voedsel instructies. Het werd de mens vanaf dat moment toegestaan naast de plantengroei tevens dieren, ja andere levende wezens te eten (Genesis 9:3). Jehovah wilde dit echter toestaan onder enkele strikte voorwaarden: “Alleen vlees met zijn ziel — zijn bloed — moogt GIJ niet eten.” (Genesis 9:4)

Zoals dit schriftdeel te kennen geeft vertegenwoordigde het bloed de ziel, of het leven wat van Jehovah afkomstig was. Het bloed stond symbool voor het leven dat Jehovah had geschapen. Uit respect voor dit leven wilde Jehovah blijkbaar dat de mensheid stilstond bij dit leven dat zij wegnamen wanneer zij het vlees voor hun voedsel wilden gebruiken.

Kennelijk stond Jehovah toe slechts dieren te doden met dit specifieke doel voor ogen, namelijk alleen voor voedsel. Het symbool van het leven, het bloed, moest op symbolische wijze worden teruggegeven aan de Levengever Jehovah zelf door het op de aarde uit te storten. Dit blijkt uit het volgende vers: “En bovendien zal ik UW bloed van UW zielen terugeisen. Van de hand van elk levend schepsel zal ik het terugeisen…” (vers 5)

Wanneer dierlijk leven in Jehovah's ogen al zo waardevol wordt geacht, hoeveel te meer geldt dit dan voor menselijk leven? Daarom vervolgt het vers: “…en van de hand van de mens, van de hand van een ieder die zijn broeder is, zal ik de ziel van de mens terugeisen. Al wie het bloed van een mens vergiet, diens eigen bloed zal door de mens vergoten worden, want naar Gods beeld heeft hij de mens gemaakt.” (vers 5 en 6)

Bovenstaande verzen maken duidelijk welk standpunt Jehovah betreffende het leven inneemt. Het is zo heilig voor Hem dat Hij het leven terugeist van ‘elk levend schepsel'. Het wegnemen van leven zal daarom met het equivalent ervan, namelijk leven, worden teruggeëist. Dit betekent dat het wegnemen van leven vanuit Jehovah's standpunt bezien een ernstige zonde is en het zal met zijn eigen ‘bloed' (zijn leven) moeten worden terugbetaald.

Het verantwoordelijk zijn voor het wegnemen van (onschuldig) leven, betekende dat men bloedschuld op zich laadde. Dit aspect van bloedschuld zien we later verder uitgewerkt in de wetten aan Mozes, zoals het doden van dieren (het koosjer slachten) en de toevluchtsteden regeling. (zie Leviticus17:4, 13, 14; 24:17, 18; Numeri 35:11-33)

Noachs achterkleinzoon Nimrod zondigde als eerste tegen het zojuist afgekondigde bloedstandpunt van Jehovah. Daarom wordt van hem gezegd: “Hij [Nimrod] maakte er een begin mee een geweldige te worden op de aarde. Hij deed zich kennen als een geweldig jager gekant tegen Jehovah. Daarom zegt men wel: „Zoals Nimrod, een geweldig jager gekant tegen Jehovah.”” (Genesis 10: 8, 9)

Kennelijk doodde hij dierlijk leven, maar niet voor voedsel. Volgens sommigen joeg hij ook op menselijk leven waardoor hij in opstand kwam, zich ‘kantte' tegen Jehovah's verordening inzake bloed.

Wanneer we nu hiermee het A.D. uit Handelingen 15:20, 29 vergelijken, hetgeen een herhaling of een bevestiging vormde van de wet aan Noach, welke zaken stemmen dan overeen? Wel, de zaken die verband houden met ‘bloed' en het ‘verstikte' .

Wat in Genesis 9: 4 staat, is een mooie en heldere omschrijving van het ‘verstikte': ‘...vlees met zijn ziel - zijn bloed – moogt gij niet eten'.

Nu is bovenstaande schriftplaats in de Nieuwe Wereldvertaling van Jehovah's Getuigen de eerste verwijstekst bij Handelingen 15:20 en 29 inzake het ‘onthouden van bloed'; dit ondanks het feit dat het hier gaat over het ‘verstikte'. Maar dit ‘verstikte' wordt afzonderlijk vermeld als één van de drie overige zaken naast bloed waarvan christenen zich dienen te onthouden.

Waaraan in de wet aan Noach is dan het gebod ‘zich te onthouden … van bloed' ontleend?

Gods verordening aan Noach hield bij vers 4 nog niet op, want de volgende verzen bespreken nóg een aspect van bloed. Deze verzen zijn in het bepalen van het bloedstandpunt onderbelicht gebleken. Juist deze verzen 5 en 6 verschaffen ons belangwekkende informatie inzake het ‘onthouden van bloed'. Het schriftgedeelte vervolgt namelijk met de woorden: “En bovendien…” (vers 5)

Deze woorden duiden op: 'naast het voorgaande' of 'daar bovenop' , komt er nog iets .

Jehovah verordende vervolgens aan Noach en zijn nageslacht: “…ik [zal] UW bloed van UW zielen terugeisen. Van de hand van elk levend schepsel zal ik het terugeisen; en van de hand van de mens, van de hand van een ieder die zijn broeder is, zal ik de ziel van de mens terugeisen. Al wie het bloed van een mens vergiet, diens eigen bloed zal door de mens vergoten worden , want naar Gods beeld heeft hij de mens gemaakt.” (vers 5 en 6)

Deze verzen geven te kennen dat bloed dat vergoten wordt bij het wegnemen van (onschuldig) leven, zal worden teruggeëist van de verantwoordelijke persoon. Hierbij gaat het om zaken als dood door schuld , doodslag of moord waardoor er bloedschuld ontstaat bij de verantwoordelijke partij.

Opmerkelijk is dat hier in de verzen 5 en 6 wel over ‘bloed' wordt gesproken, maar echter niet over de vloeistof op zich, doch als het symbool voor leven . Dit vergieten van bloed zou dus bloedschuld laden op de schuldige partij die een ander leven wegnam.

Wanneer we opnieuw de vraag stellen: Wat wordt feitelijk bedoeld met de uitdrukking ‘ zich te blijven onthouden ... van bloed' , tot welke conclusie komt u dan?

Gelet op de oorspronkelijke richtlijnen aan Noach waaraan het A.D. uit Handelingen 15 is ontleend, lijkt het redelijk dat deze uitdrukking ‘zich te blijven onthouden … van bloed' slaat op het ‘zich te blijven onthouden … van bloedvergieten'.

Dat dit begrip van ‘bloed' slaat op bloedvergieten, staat niet op zichzelf. Het is niet alleen in harmonie met de context maar ook met andere bijbelpassages.

Denk hierbij eens aan wat het bijbelverslag zegt over de moord op Abel. Dus nog vóórdat het bloedstandpunt aan Noach werd bekendgemaakt, ja toen er slechts een handje vol mensen op de aarde leefden maakte Jehovah reeds zijn standpunt inzake bloed kenbaar. Toen Jehovah Kaïn ter verantwoording riep zei Hij: “Wat hebt gij gedaan? Luister! Het bloed van uw broer roept luid tot mij van de aardbodem. En nu zijt gij vervloekt [en] verbannen van de aardbodem, die zijn mond heeft geopend om het bloed van uw broer uit uw hand te ontvangen …” (Genesis 4:10, 11)

Hier wordt eveneens de term bloed gebruikt, niet als vloeistof maar als het symbool voor het leven van Abel. Kaïn had bloedschuld op zich geladen door onschuldig bloed van Abel te vergieten. Kaïn onthield zich niet van bloed.

Een ander voorbeeld kunnen we vinden in het laatste boek van de bijbel. Wanneer Babylon de Grote haar oordeel wordt aangekondigd zegt de profetie: “Ja, in haar werd het bloed gevonden van profeten en van heiligen en van allen die op de aarde geslacht zijn.” (Openbaring 18:24) Ook hier is het onredelijk te stellen dat er over de vloeistof bloed wordt gesproken; Hier wordt gedoeld op onschuldig leven dat (door slachting) is weggenomen. Dit grote wereldrijk Babylon de Grote onthoudt zich niet van bloed, waardoor zij zich Jehovah's oordeel op de hals haalt.

In dit verband is het interessant op te merken wat de eerste eeuwse geschiedschrijver Tertullianus hierover schrijft. Met betrekking tot de vroege christenen en hun begrip van het in de bijbel opgenomen A.D. schrijft hij: "Het is voldoende dat op deze plaats overspel en ontucht samen hun eigen terechte plaats hebben tussen afgoderij en moord: want het verbod inzake 'bloed' zullen wij veeleer opvatten als (een verbod) inzake menselijk bloed."The Ante-Nicene Fathers, Deel IV, blz. 86.

Zoals uit bovenstaande aanhaling blijkt, legt Tertullianus een verband tussen het apostolische verbod op (menselijk) bloed en moord. Met andere woorden het ‘onthouden van bloed' uit Handelingen werd door de eerste christenen rechtstreeks in verband gebracht met het bloedvergieten van vooral menselijk leven.

Slechts het laatste deel van deze aanhaling (vanaf de dubbele punt) wordt in het boekje ‘Redeneren aan de hand van de Schrift', bladzijde 81 vermeld, om aan te tonen dat het bloedverbod uit Handelingen betrekking heeft op menselijk bloed, en aldus medische toepassingen zou insluiten. Maar net als met schriftdelen uit de bijbel is het van belang de context te beschouwen waarin uitspraken worden gedaan om de juiste betekenis te kunnen begrijpen.

(Zie voor gehele aanhaling de volgende webpagina ---> http://www.ccel.org/fathers2/ANF-04/anf04-19.htm en klik vervolgens op hoofdstuk 12 (chapter XII))

Bovenstaande schriftuurlijke informatie geeft ons een heel ander perspectief op de woorden: 'U te blijven onthouden … van bloed.' Het maakt duidelijk dat Gods Woord geen verbod bevat op bloedtransfusies, maar een verbod op bloedvergieten door het wegnemen van onschuldig leven.

Uit het bloedstandpunt welke Jehovah aan Noach bekendmaakte gaat het in beide gevallen om het doden (wegnemen) van leven. In het geval van het ‘verstikte' gaat het om het doden van dierlijk leven voor consumptie. In het geval van ‘bloed' (bloedvergieten) gaat het om het doden van met name menselijk leven. Dit kan eveneens worden gezegd over het toepassen van Jehovah's instructies inzake bloed onder het Mozaïsche Wetverbond. Slechts in die gevallen waar het dierlijke leven als slachtoffer op het altaar werd gelegd om verzoening te doen voor zonden, werd het bloed van het gedode dier op het altaar gespat als het typologische bloed van Jezus.

Maar bij een operatie of een gezondheidsbehandeling waar bloed of bestanddelen ervan worden gebruikt, wordt geen leven weggenomen, maar zal mogelijkerwijs leven worden behouden, ja leven dat heilig is in Jehovah's ogen.

Wanneer we nauwkeurig de verordening aan Noach bestuderen, is het dan logisch om aan het symbool van leven - de rode vloeistof - meer waarde toe te kennen dan aan het leven zelf?

Dit schriftuurlijke inzicht brengt ons huidige bloedstandpunt inzake transfusies van bloed of bestanddelen ervan in een totaal ander licht.

Het zal een einde maken aan elke discussie over medische aspecten van bloed, of de hoofdbestanddelen, alsmede alle daarvan afgeleidde bloedfracties. Er zullen geen afwegingen meer gemaakt hoeven te worden welke bloedfracties nu wel onder het bloedverbod vallen en welke niet. De noodzaak voor de vele inconsistente redeneringen om tegenstrijdigheden in het huidige standpunt van het Besturend Lichaam met elkaar in overeenstemming te brengen vallen weg. Het is dan niet langer nodig om ingewikkelde kennis over het levenssap bloed en zijn vele medische toepassingen te bezitten om een gewetensvolle beslissing te kunnen nemen. Hierdoor wordt ons bij het naleven van het A.D. werkelijk geen verdere last [toegevoegd] dan deze noodzakelijke dingen: U te blijven onthouden van dingen die aan afgoden ten slachtoffer zijn gebracht en van bloed en van al wat verstikt is en van hoererij.” (Handelingen 15:29)

Bovenstaande gedachten betekenen in geen enkel opzicht dat wij bloedtransfusies van bloed of delen ervan willen promoten, want de uiteindelijke beslissing daartoe ligt in handen van u persoonlijk. En de omstandigheden waaronder een dergelijke beslissing genomen moet worden. Bovenstaande schriftuurlijke gedachten hebben ten doel om u vollediger te informeren over de bloedkwestie. Wat u ook zult beslissen, de makers van deze site zijn van mening dat het een zaak is van ieders persoonlijke geweten. Wij hopen dan ook dat wanneer u voor die belangrijke beslissing komt te staan het in ieder geval een beslissing is waar uzelf 100% achterstaat.

In zijn brief aan de Romeinen schreef Paulus over verschillen in het menselijk geweten: “Heb het geloof dat gij bezit, overeenkomstig uzelf [en niet overeenkomstig een ander] voor het aangezicht van God. Gelukkig is hij die zichzelf geen oordeel op de hals haalt door wat hij goedkeurt… Ja, alles wat niet uit geloof is, is zonde.” (Romeinen 14:22, 23)

In vers 12 concludeerde Paulus al: “Zo zal dan een ieder van ons voor zichzelf rekenschap afleggen aan God.”

Mede hierom zijn wij van mening dat sancties van het Wachttorengenootschap op uw persoonlijke beslissing achterwege dienen te blijven, en dat iedere christen als gerespecteerd lid van de christelijke gemeente beschouwd moet blijven worden, ongeacht welke gewetensvolle keuze er wordt gemaakt. Het is niet de plaats van een aantal oudere mannen in Brooklyn om dat voor individuen te bepalen.

Tot slot

Bij deze bespreking zijn de schriftuurlijke gedachten uit de Mozaïsche Wet buiten beschouwing gelaten. Als Jehovah's Getuigen erkennen we dat alle verordeningen die onder de Wet zijn uitgevaardigd niet meer van toepassing zijn op christenen. Immers dat was de inzet van de apostolische vergadering waar het A.D. werd uitgevaardigd. Daarom kunnen we aan die Mozaïsche verordeningen geen christelijke standpunten ophangen, hoogstens bepaalde beginselen isoleren. Wellicht is dit onderwerp voer voor een ander artikel in de toekomst.