R. Jensen

24 Running Deer Road
Phenix City , AL 36870


Kantoor:
Thuis:

16 februari 1998

Watchtower Bible & Tract Society
25 Columbin Heights
Brooklyn , New York 11201

Re: Bloed en rechtvaardige maatstaven hooghouden

Geliefde Broeders,

Ik ben een ouderling in de gemeente C. te C. Alabama. Hetgeen ik schrijf in deze brief heeft niets te maken met enige gerechtelijke activiteit van onze gemeente in het verleden, in het heden of in de nabije toekomst . De inhoud heeft betrekking op mijn eigen activiteit in de dienst met personen in de gezondheidszorg. De brief is vrij lang en ik waardeer jullie volharding in zowel het lezen als het beantwoorden ervan.

In mijn werelds werk is het voor mij noodzakelijk nauw samen te werken met enkele artsen en inspecteurs van verzekeringsmaatschappijen, vooral met betrekking tot schadeloosstellingen voor arbeiders. Deze personen hebben bij diverse gelegenheden geloofsuitingen van mij gehoord, en de geloofsovertuigingen van Jehovah's Getuigen zijn het onderwerp geweest van vriendelijke en zinvolle conversaties. Onze discussies over Jehovah's Getuigen hebben nooit geleid tot geschillen tussen ons en één arts noemde zelfs indirecte voordelen met betrekking tot plaatselijke verkondigers. Zo nu en dan bellen deze artsen en verzekeringsinspecteurs mij met vragen over Jehovah's Getuigen en het medische gebruik van bloed, meestal zijn dit eenvoudige vragen. In de laatste paar maanden zijn er echter vragen gesteld waarop ik geen antwoord heb en over deze vragen schrijf ik jullie. Voordat ik wil overgaan naar het werkelijke onderwerp kan ik jullie vertellen dat ik met vier (4) verschillende ouderlingen gesproken heb en tevens met onze huidige kringopziener W. Skogsberg, maar geen van allen konden zij antwoorden geven op de specifieke vragen die gesteld werden. Voordat ik deze brief schreef en voordat ik met de broeders gesproken heb, heb ik vele schriftplaatsen over de kwestie bestudeerd en beschouwd, alsook talloze artikelen in onze publicaties. Iemand opperde dat ik ons ziekenhuiscontactcomité zou kunnen bellen, maar ik wil hen eigenlijk niet storen daar het niet tot hun taak behoort vragen vanuit de velddienst te beantwoorden. Allen hebben mij aangemoedigd het Genootschap te schrijven, vandaar deze brief.

Beide partijen bekijken het onderwerp vanuit een verschillend perspectief. Verzekeringsinspecteurs zijn geïnteresseerd in het verminderen van de schadeclaims voor hun respectieve maatschappijen. Artsen zijn meer geïnteresseerd in hoe ze met patiënten dienen om te gaan die Jehovah's Getuigen zijn. Alle partijen houden over het algemeen van een schriftuurlijke discussie. Ik heb verteld dat onze organisatie een ziekenhuiscontactcomité heeft dat waarschijnlijk bereid zal zijn hun zorgen persoonlijk te bespreken. Allen gaven aan dat zij de informele setting van onze persoonlijke één op één gesprekken prettiger vonden (onze bijeenkomsten zijn zelden formeel, meestal komt een arts of verzekeringsinspecteur gewoon bij mij op kantoor of we gaan samen op zakenlunch).

De artsen zijn geïnteresseerd in de wijze waarop onze organisatie omgaat met personen die bloedcomponenten besluiten te aanvaarden. Ze begrijpen en respecteren de beginselen van onze gerechtelijke procedure, dat wil zeggen het ondersteunen van degenen die een grove zonde hebben begaan en het geestelijke welzijn van onze broederschap beschermen. Waarover ik nu schrijf, zijn de vragen die ze krijgen wanneer we bespreken hoe Jehovah's Getuigen op verschillende wijze omgaan met verkondigers als gevolg van een specifiek aanvaarde bloedcomponent. Ik heb hen uitgelegd wat er gezegd wordt in diverse publicaties (we hebben heel wat tijd besteed aan de w90 1/6 30-1). Ze vroegen specifiek waarom we geen gerechtelijke actie ondernemen tegen verkondigers die injecties met bloedcomponenten accepteren zolang deze bestaan uit eiwitten, hormonen, zouten en enzymen uit bloed, terwijl we wel gerechtelijke actie ondernemen tegen verkondigers die componenten als rode bloedcellen, witte bloedcellen, bloedplaatjes of plasma aanvaarden (ook al worden deze aanvaard als component en niet als vol bloed). Het grootste verschil dat deze artsen zien tussen de twee is de relatief kleine hoeveelheid van het ene bloedcomponent vergeleken met andere bloedcomponenten en hoeveelheden die daarvan gewoonlijk worden toegediend (ze bezien ze allen als afkomstig uit bloed), en dat het lijkt alsof onze organisatorische tolerantie (waarmee verwezen wordt naar daden die aan het geweten worden overgelaten en waarop geen gerechtelijke actie wordt ondernomen) op één of andere manier bepaald wordt door het persoonlijke geweten. Ze vragen zich daarom af waarom de organisatie de gehele kwestie niet overlaat aan het persoonlijke geweten.

Met betrekking tot het geweten heb ik ze eraan herinnerd dat iedereen onder Jehovah's Getuigen als individueel persoon vrij is te doen wat hij wil, onze broederschap bepaalt aan de hand van de schrift eenvoudig welke praktijken we toestaan onder ons en wie we aldus beschouwen als onze medeaanbidders. Er is duidelijk gemaakt dat, hoewel het aanvaarden van sommige bloedcomponenten aan het persoonlijke geweten van de verkondiger wordt overgelaten, Jehovah's Getuigen het gebruik van enig bloedproduct niet onderschrijven .. Ik heb hen er verder aan herinnerd dat zij als artsen geen geestelijke herders zijn en zich dienen te concentreren op het behandelen van de gehele persoon, waarbij persoonlijke religieuze overtuigingen van individuele patiënten gerespecteerd worden.

Ze vragen het volgende:

Aangaande gerechtelijke / niet-gerechtelijke status:

Is het de hoeveelheid bloed of de hoeveelheid van een bepaald component van bloed waardoor wordt bepaald of gerechtelijke stappen tegen iemand worden ondernomen?

Wanneer het om de hoeveelheid gaat, hoeveel is dat dan?

Wanneer het niet om de hoeveelheid gaat, wordt het dan eenvoudig aan het persoonlijke geweten van de persoon overgelaten welke component ze bereid zijn te aanvaarden en welke ze weigeren, of zijn er arbitraire redenen voor de selectie van enkele bloedcomponenten voor medisch gebruik die gerechtelijke actie vereisen en anderen die geen gerechtelijke actie vereisen?

Aangaande ons begrip van het verbod in Handelingen 15:29:

Wat is de definitie van bloed volgens Jehovah's Getuigen?

Zijn alle onderdelen van bloed "bloed" of zijn er bepaalde bloedcomponenten die we niet definiëren als "bloed" zoals verboden in Handelingen 15:29? (Bijvoorbeeld: Wat maakt, schriftuurlijk bezien, rode bloedcellen afkomstig uit vol bloed anders dan eiwitten afkomstig uit vol bloed, dat maakt dat het één een gerechtelijke zaak is en het ander niet?)

Als bepaalde componenten in bloed geen "bloed" zijn zoals verboden in Handelingen 15:29, hoe wordt dit dan bepaald ?

Worden bloedcomponenten niet langer als "bloed" bezien wanneer ze klein genoeg zijn, zo ja, wat is dan de hoeveelheid?

Is het specifieke component de verbindende relatie tot Handelingen 15:29? Zo ja, wat zijn de schriftuurlijke redenen van onze organisatie voor het toestaan van deze componenten als een zaak van het geweten, terwijl Gods vereisten gerechtelijk hoog gehouden worden wanneer er andere componenten aanvaard worden?

Ik begrijp dat de bovenstaande vragen elkaar ietwat overlappen. Ik heb de vragen gecategoriseerd in een poging de verschillen in context aan te geven waarin ze werden gesteld. Met betrekking tot Handelingen 15:29 was er ook discussie over de overgang van antilichamen en eiwitten via de placenta. Dit leek hun vragen vanuit een schriftuurlijk perspectief niet voldoende te beantwoorden en men was het er niet mee eens dat alleen antilichamen en eiwitten via de placenta worden overgebracht. Eén vroeg: "Hoe denk je dat water aan een ongeboren kind wordt overgebracht als dit niet uit het bloed van de moeder komt, specifiek vanuit het plasma?" Hij voegde eraan toe: "Ondanks dat hun bloedstelsels zich niet echt vermengen, is de voedings bron voor het ongeboren kind het bloed van de moeder." Het leek hen onwaarschijnlijk dat Gods Wet die aan Noach werd gegeven ook maar iets te maken had met de inwendige werking van foetus/placenta/moeder.

In het gesprek gebruikte ik de illustratie over de alcoholist die door zijn arts wordt aangeraden zich te onthouden van alcohol en hoe dit verbod zeker ook intraveneuze aanvaarding van alcohol zou inhouden. In antwoord daarop vroeg één arts: "Als ik, als jouw dokter, zou zeggen "onthoud je van het eten van vlees," zou ik er dan bezwaar tegen hebben wanneer je een orgaantransplantatie aanvaardt om je leven in stand te houden?" Hij vroeg verder: "Als ik je zou zeggen dat je je moet onthouden van alcohol, betekent dat dan dat ik bezwaar moet hebben tegen het medisch gebruik van alcohol om je leven in stand te houden?" Ik legde uit dat mijn illustratie enkel bedoeld was om aan te tonen dat drinken of eten gelijk is aan een intraveneuze transfusie in het lichaam, waarbij ik hem eraan herinnerde dat het opzettelijke eten van bloed door God verboden is . Ik had verder geen antwoord op zijn geïllustreerde vragen, behalve hem eraan te herinneren dat het in dit geval niet gaat om een arts die onthouding vereist, maar onze Schepper, en daar zijn maatstaven vereisen zich van bloed te onthouden, zouden christenen moeten gehoorzamen. Hij stemde in en zei toen "alles goed en wel, maar het lijkt erop dat Jehovah's Getuigen selectief zijn in hoe ze dit gebod gehoorzamen en in jullie gemeenten hooghouden ; óf je moet je onthouden van het medisch gebruik van bloed, óf niet. Het blijkt echter dat nu "een beetje bloed" aanvaardbaar is, terwijl "ander bloed" dat niet is."

We hebben ook besproken hoe Jehovah's Getuigen het op andere manieren misbruiken van bloed bezien en hoe men zich van bloed dient te ontdoen wanneer dit niet langer onderdeel uitmaakt van de persoon of het schepsel. Over algemeen misbruik van bloed werd mij gevraagd of ik enig idee had hoeveel bloed er "misbruikt" wordt (naar maatstaf van Jehovah's Getuigen) om de bloedcomponenten te produceren die door onze organisatie aan het geweten worden overgelaten. Ik had geen idee (en heb dat nog steeds niet). Hij zei dat dit een aanzienlijke hoeveelheid is en als ik dacht dat een transfusie met één enkele unit bloed bezwaarlijk is en ik dat als misbruik bezie, ik naar een faciliteit moet gaan waar bloed wordt gescheiden en bewerkt en moet kijken naar de hoeveelheid bloed die misbruikt wordt om "aanvaardbare" fracties te verkrijgen. Daar ik dit proces niet ken, had ik geen antwoord, maar het lijkt redelijk te zijn dat misbruik van bloed een belangrijke factor is, of er nu een transfusie of een injectie aan een persoon wordt gegeven, omdat we elk misbruik van bloed als ernstig beschouwen zoals werd beschreven in De Wachttoren van 15 januari 1982 (w82 15/1 31). Eén commentaar in die Wachttoren luidt: "Een dergelijk gebruik van bloed uit winstbejag zou niet in overeenstemming zijn met diep respect voor de levenvertegenwoordigende waarde van bloed." Wordt het behandelen en verwerken van bloed voor medische producten (die gekocht en verkocht worden voor winst) niet beschouwd als een gebruik van bloed uit winstbejag? Zou dit winstbejag niet net zo berispelijk zijn als het aanvaarden van een bloedtransfusie, vooral wanneer het waar is dat er grote hoeveelheden bloed verwerkt moeten worden met de bedoeling winst te maken? Kan een broeder juiste geestelijke omgang zijn wanneer hij een onderneming bezit die gespecialiseerd is in het verwerken van grote hoeveelheden bloed om bepaalde bloedfracties die aan het eigen geweten worden overgelaten te scheiden met als doel verkoop en gebruik ervan? Het lijkt alsof het vrijwillig aanvaarden van bloedfracties vanwege het verkrijgen, opslaan en verwerken van bloed duidelijk en rechtstreeks bijdraagt aan het massale misbruik van bloed. (w75 blz. 405)

Deze mensen hebben geen vragen gesteld omdat ze eenvoudig in de gezondheidszorg werken, ze blijken ook een interesse in de bijbel te hebben. Ze hebben er nimmer blijk van gegeven onze broederschap tegen te willen werken, het onderwerp gezondheidszorg heeft gewoon hun interesse en ze zijn natuurlijk onderzoekend vanwege hun maatschappelijke positie. Het moge duidelijk zijn dat er vele vragen zijn gerezen in de waardevolle conversaties met deze personen. Ik heb geprobeerd de brief eenvoudig te houden, maar veel is in verkorte vorm weergegeven in deze paar paragrafen. Beantwoord alsjeblieft elk punt daar er potentie is deze discussies verder uit te diepen en wellicht een bijbelstudie te beginnen met op zijn minst één van deze personen wanneer de hiervoor genoemde punten beantwoord zijn.

Ik verlang zelf ook naar een beter begrip over hoe we schriftuurlijk kunnen bepalen dat ouderlingen gerechtelijke actie dienen te ondernemen tegen verkondigers omdat een bepaalde bloedcomponent is aanvaard, terwijl we geen gerechtelijke actie ondernemen tegen verkondigers die andere componenten aanvaarden. Vooral verwarrend is een verklaring in De Wachttoren van 1 juni 1990, op blz. 31 wordt er gezegd: "Anderen zijn van mening dat een serum (antitoxine) zoals immunoglobuline, dat slechts een zeer kleine fractie van het bloedplasma van een donor bevat en dat wordt gebruikt om hun verdediging tegen ziekte te versterken, niet hetzelfde is als een levensonderhoudende bloedtransfusie. Hun geweten verbiedt hun dus misschien niet immunoglobuline of soortgelijke fracties te aanvaarden. Zij komen wellicht tot de slotsom dat voor hen de beslissing voornamelijk zal afhangen van de vraag of zij bereid zijn de gezondheidsrisico's te aanvaarden die vastzitten aan een injectie met een product dat is verkregen uit het bloed van anderen." (cursivering toegevoegd). Twee zaken zijn onbegrijpelijk in dit citaat:

Ten eerste:
Dokters zullen toegeven dat een transfusie met plasma of rode bloedcellen iemands leven kan redden, maar dat geldt ook voor factor VIII. Beiden redden levens , beiden zijn levensonderhoudend. Zonder factor VIII zouden hemofiliepatiënten zeker in aanmerking komen voor een zeer kort leven. Daar beiden levens redden, hoe kan de één dan uitgezonderd worden voor gerechtelijke actie en de ander genegeerd worden? Ook bestaat er het gebruik van albumine voor brandwondenslachtoffers, deze toegediende bloedcomponenten redt zeker levens .
   
Ten tweede:
Het schuingedrukte gedeelte geeft verder aan dat individuele gewetens een bepaalde rol spelen in onze beslissing over wat moreel bezien aanvaardbaar is. Wat nu als iemands geweten het aanvaarden van componenten als plasma zou toestaan, waarbij de conclusie wordt getrokken dat hun beslissing primair gebaseerd is op het aanvaarden van gezondheidsrisico's?

 

Hoe kunnen ouderlingen met deze informatie personen op schriftuurlijke wijze aantonen dat we bepaalde bloedcomponenten aanvaarden, terwijl we gerechtelijke actie ondernemen bij aanvaarding van andere componenten? Ik heb vele artikelen over deze kwesties gelezen, maar geen antwoord gevonden, ook de ouderlingen die ik het gevraagd heb konden geen antwoord geven.

In toevoeging hierop heb ik ook nog over vragen die op een ander gebied liggen (hierboven kort genoemd). De w89 1/3 30 verklaart dat Jehovah's Getuigen bepaalde autologe procedures "NIET accepteren". De reden hiervoor wordt als volgt verklaard: "Wij beseffen reeds heel lang dat zulk opgeslagen bloed beslist niet langer deel uitmaakt van de persoon. Het is volledig uit zijn lichaam verwijderd en daarom dient men zich ervan te ontdoen, zoals Gods wet voorschrijft : "Gij dient het als water op de aarde uit te gieten." - Deuteronomium 12:24." Deze grondredenatie wordt diverse malen in het artikel genoemd. Met deze voornaamste schriftuurlijke wet in gedachte lijkt het belangrijk te zijn dat alle bloedfracties voor medisch gebruik afkomstig zijn van vol bloed dat opzettelijk : gedoneerd (of zelfs verkocht), opgeslagen, verwerkt, met winst verkocht en ten slotte in de circulatie van een ander lichaam gebracht is. Hoe kan er schriftuurlijk beredeneerd worden dat al dit misbruik van bloed, met als expliciet doel bloedfracties te verkopen, kopen of te gebruiken, mogelijkerwijs aanvaard kan worden door enig christelijk geweten? Ik kan begrijpen dat zelfs in op juiste wijze uitgebloed vlees een beetje bloed zal achterblijven wat tezamen met het vlees gegeten wordt, echter, dit eten van het bloed is niet opzettelijk, er zijn redelijke inspanningen gedaan het bloed in overeenstemming met Gods Wet na slachting 'uit te gieten'. Mijn vraag komt op, omdat in het geval van medisch toegediende bloedfracties eerst diverse procédés doorlopen moeten worden die we "NIET accepteren", die opzettelijk en rechtstreeks leiden tot het product dat wordt aangeboden. Zou het accepteren (en kopen) van het eindproduct geen rechtstreekse ondersteuning vormen van het proces terwijl er geen verplichting van onze zijde bestaat om dit te aanvaarden? Is het beschreven proces acceptabel? (verwijzing: w82 15/1 31, w90 1/6 30)

Eén verzekeringsinspecteur (voor schadeclaims van arbeiders) die vooral bezorgd was over de kosten van medische behandelingen zonder bloed, herinnerde ik eraan dat schadeclaims voor arbeiders vaak astronomisch hoog zijn, niet vanwege de werkelijke noden van de persoon, maar vanwege personen zonder scrupules die er behagen in scheppen het systeem 'uit te melken'. Sommigen doen dit door een aan het werk gerelateerde verwonding te simuleren, terwijl de verwonding in werkelijkheid buiten werktijd ontstaan is; anderen doen het door uit luiheid een gewoonlijk vanzelf verdwijnende aandoening te manipuleren tot een één of andere vorm van permanente volledige arbeidsongeschiktheid (een zogenaamd 'arbeidsongeschiktheidspensioen'). Na gehoord te hebben hoe Jehovah's Getuigen op dit gebied goed ethisch en eerlijk gedrag leren, leek hij ervan overtuigd te zijn dat er niet zulke geschillen zouden zijn waarbij de eiser één van Jehovah's Getuigen zou zijn en dat deze schadeclaims waarschijnlijk eenvoudiger te behandelen zouden zijn. Ik herinnerde de inspecteur er verder aan dat schadeclaims vaak positiever en gemakkelijker opgelost zouden kunnen worden voor beide partijen wanneer de verwonde personen weten en voelen dat ze begrepen en gewaardeerd worden en dat er zorg aan hen wordt besteed. Hij was het daarmee eens en was blij meer over de leerstellingen van Jehovah's Getuigen te weten.

Ik zie ernaar uit jullie antwoord te lezen. Ik heb de christelijke instructie zich te onthouden van bloed het grootste deel van mijn leven begrepen en gewaardeerd, en als ouderling heb ik dikwijls broeders in zware en zelfs levensbedreigende situaties mogen ondersteunen. Meer lezen over en meer studeren op dit onderwerp heeft mijn besluit me te onthouden van bloed enkel versterkt, daaruit voortvloeiend kijk ik uit naar jullie antwoord. Mijn persoonlijke vragen zijn niet bedoeld om te harrewarren over de leiding waarin rijpe christenen wordt toegestaan hun eigen geweten te gebruiken om te bepalen of bepaalde bloedproducten aanvaardbaar zijn, ik ben alleen op zoek naar begrip in deze kwestie.

Jullie, broeders, hebben het erg druk en we waarderen allen jullie inspanningen. Het is niet mijn bedoeling jullie te belasten et extra werk, maar ik kan de schriftuurlijke antwoorden op de bovenstaande vragen gewoon niet bepalen en heb jullie hulp nodig. Ik bedank jullie op voorhand voor jullie fijne geestelijke hulp in deze kwestie. Ik wil jullie ook bedanken voor de schitterende (doch uitputtende) Koninkrijksbedieningsschool die we in november/december '97 hebben bijgewoond. Ik heb de positieve aard van het programma gewaardeerd, alle toewijzingen zijn voortreffelijk behandeld. Ga zo door!

Jullie broeder in Jehovah's dienst,

R. Jensen


Download via onderstaande knop het Engelse origineel van deze brief