R. Jensen

24 Running Deer Road
Phenix City , AL 36870


Kantoor:
Thuis:

15 november 1999

Watchtower Bible & Tract Society
25 Columbin Heights
Brooklyn , New York 11201

Re: Bloed en rechtvaardige maatstaven hooghouden

Geliefde Broeders,

In 1998 heb ik jullie geschreven met vragen over onze leerstellingen en ons standpunt over het gebruik van bloed (Zie mijn brieven d.d. 16/2/98 en 31/7/98) Die brieven wezen op de moeilijkheden die ik heb bij het onderwijzen van ons huidige standpunt met betrekking tot het medische gebrui k van bloed. Jullie laatste correspondentie aan mij over dit onderwerp van 24/8/98 zei: “…het lijkt echter passend te zijn de zaak op dit moment te laten rusten.”

Ik ben me terdege bewust geweest van de ernst van wat ik bij jullie heb aangedragen en begreep dat jullie wellicht enige tijd nodig zouden hebben om te beschouwen wat ik geschreven had. In dat opzicht leek het ook mij een goed idee de zaak te laten rusten en was ik er tevreden mee een toekomstige beschouwing van dit onderwerp af te wachten. In dat licht bezien verwachtte ik vol overtuiging een nadere uitleg op mijn vragen in een Wachttorenartikel of anders via persoonlijk correspondentie. Ik veronderstelde dat de zaak laten rusten niet zou betekenen dat de vragen geheel zouden wegsterven en ik denk ook niet dat dat jullie bedoeling was. Daarom heb ik afgewacht. Op dit moment vraag ik wederom jullie aandacht voor mijn vragen in die brieven. Ik heb veel verschillende redenen om bezorgd te zijn over dit onderwerp.

Als een ouderling wordt er van me verwacht dat ik met overtuiging onderwijs en verstand verleen. Zulk onderwijs wordt onder diverse omstandigheden van ouderlingen verwacht. Dat kan zijn in onze openbare prediking, één op één met verkondigers, vanaf het podium in onze Koninkrijkzaal, in gerechtelijke comités, enz…. In alle gevallen hebben ouderlingen de verantwoordelijkheid met overtuiging te onderwijzen en verstand te verlenen. Hoewel niet allen onze overtuigingen of begrip over iets zullen aanvaarden, zouden we er niettemin juiste en geldige uitleggingen voor moeten hebben. We zouden de redenen voor onze antwoorden moeten hebben, kennen en begrijpen. In dit geval zouden we schriftuurlijke antwoorden moeten hebben voor antwoorden vanuit ons bestaande schriftuurlijke standpunt. Hoe kan ik met overtuiging onderwijzen en verstand verlenen zonder redenen te hebben voor de antwoorden?

Naast mijn verantwoordelijkheden als een ouderling ben ik ook een echtgenoot en vader. De voornaamste verantwoordelijkheid die ik als onderwijzer heb, is die tegenover mijn familie. Wanneer er ernstige vragen rijzen die het waard zijn beantwoord te worden, hoe kan ik dan antwoorden wanneer ik het zelf niet kan uitleggen? Wat kan ik, in het geval van mijn vragen met betrekking tot het medische gebruik van bloed, zeggen wanneer ik moet toegeven dat ik geen specifieke redenen heb voor mijn antwoorden? Wat zullen mijn vrouw en kind denken? Hoe kan ik in hen een overtuiging opbouwen voor iets wat ik niet kan uitleggen?

Omstandigheden hebben mij al in de moeilijke positie gebracht dat ik situaties ontwijk waarin de door mij gestelde vragen waarschijnlijk gesteld zullen worden. Ik wil geen omstandigheden creëren waarin iemand gekwetst zou kunnen worden of zou kunnen struikelen omdat ik in alle eerlijkheid moet toegeven dat ik geen verklaring heb voor bepaalde standpunten over wat er wel en niet wordt toegestaan. Sinds mijn laatste correspondentie met jullie is mij tweemaal gevraagd om te helpen bij ernstige medische gevallen waarbij bloed betrokken was. In beide gevallen heb ik verkondigers moeten verwijzen naar een andere ouderling door te vragen hen te benaderen voor hulp in plaats van mij. Ik heb hen uitgelegd dat ik ze op dit moment niet kon helpen en dat een andere ouderling dat wel zou kunnen. Ik vertelde hen niet waarom ik hen niet kon helpen. Eén van die gevallen was een noodgeval en het was hartbrekend om niet rechtstreeks te kunnen helpen. Dit soort omstandigheden hebben me veel verdriet bezorgd. Op het moment dat mijn broeders me het meeste nodig hadden, was ik bang aanwezig te zijn en hen tot struikelen te brengen, omdat ik de legitieme en waarschijnlijke vragen waarvoor ik geen schriftuurlijke verklaringen heb niet zou kunnen beantwoorden. Het potentieel voor een struikeling, of op zijn minst ontmoediging, is aanwezig, terwijl ze zich reeds in een kwetsbare positie bevinden.

Dan is er mijn familie. Onze dochter is nu 16 maanden oud. Mijn vrouw en ik hebben de tijd genomen te overleggen wat we zouden doen in een medisch noodgeval waarbij bloed betrokken is. Ik moet jullie zeggen dat ik die conversaties zeer zwaar vind, omdat ik mijn vrouw niet wil laten struikelen door toe te geven dat het me ernstig zorgen baart dat ik niet aan de hand van de schrift ons standpunt inzake de tolerantie van bepaalde bloedcomponenten versus de intolerantie van andere bloedcomponenten kan uitleggen. Dan zijn er ook nog de discussies met onze huisarts, welke evenzo problematisch zijn.

Naast deze omstandigheden blijft mijn oorspronkelijke probleem, waarvoor ik jullie in eerste instantie geschreven heb, ook nog steeds bestaan, namelijk het bespreken van dit onderwerp in onze openbare bediening. Dit geeft vooral problemen wanneer de ontvanger een professionele medicus is die volledig op de hoogte is van alle aspecten omtrent bloed, de medische procedures omtrent bloed en preparaten uit en het gebruik van bloedcomponenten.

Mijn geweten schrijft mij voor dat ik geen enkel struikelblok voor mijn broeders, familie of ieder ander mag leggen. Dat plaatst me wederom in een moeilijke situatie, omdat daarmee gelimiteerd wordt tot wie ik mij kan wenden voor antwoorden op al datgene wat ik in mijn eerdere correspondentie aan jullie heb gevraagd. Tot wie anders dan jullie kan ik mij wenden voor schriftuurlijke antwoorden over een bestaand schriftuurlijk standpunt, broeders? In 1980 (het kan ook 1981 zijn geweest) werd mij gezegd dat broeder Albert Schroeder in hetzelfde hotel verbleef als waar ik in logeerde voor het congres in Jacksonville, Florida. Ik had op dat moment een voor mij ernstige vraag waarop ik een antwoord nodig had. Ik werd aangemoedigd gewoon bij hem aan te kloppen en de vraag te stellen. Dat heb ik daarom gedaan en ik werd op warme wijze welkom geheten en er werd mij vanuit de bijbel een antwoord gegeven. Ik klop nu opnieuw aan voor een antwoord.

Terwijl ik jullie antwoorden op mijn vragen geduldig afwachtte, ben ik blijven bidden en nadenken over ons standpunt van tolerantie ten opzichte van bepaalde bloedcomponenten en de intolerantie ten opzichte van andere bloedcomponenten, alsook onze gehele leerstelling aangaande medische infusies van bloed. Die gebedsvolle overpeinzingen hebben me het idee gegeven dat het niet juist is onderscheid of toepassingen te maken of op te leggen aan anderen wanneer deze niet specifiek in de bijbel staan. Het is inconsistent dat we sommige bloedcomponenten voor medische doeleinden toestaan, terwijl we niet toestaan dat er donaties gedaan worden die juist dat mogelijk maken. Het is tegenstrijdig dat we het opslaan van bloed voor later gebruik veroordelen en vervolgens bloedcomponenten gebruiken waarvoor grote hoeveelheden opgeslagen bloed voor benodigd zijn. Zonder schriftuurlijk onderscheid is het inconsequent dat we sommige bloedcomponenten toestaan, terwijl elke bloedcomponent gelijkelijk uit bloed afkomstig is. Zover ik het kan overzien, is het maken een dergelijk schriftuurlijk onderscheid onmogelijk. In beschouwing nemend dat de medische wetenschap voort zal gaan in het ontwikkelen van diverse technieken om bloed te kunnen bewerken en het scheiden en gebruiken van bloedcomponenten, lijkt het erop dat we dezelfde zwaarte aan alle bloedcomponenten dienen toe te kennen: ófwel het aanvaarden van ieders individuele gewetensvolle keuze, ofwel het niet aanvaarden van alle bloedcomponenten.

Ik hoop dat de bedoeling van mijn brief begrepen wordt. Ik ben er niet op uit jullie benauwd te maken. In deze dagen ondervinden wij allen benauwdheid en is er voor ons allen de noodzaak voor volharding. Ik ondersteun mijn gehele gemeenschap van broeders en ben bereid eerder mijn leven te geven dan één van hen onnodig te doen struikelen. De Wachttoren van 6 juni 1982 zei op bladzijde 20 het volgende: “Af en toe vestigen sommigen de aandacht van de „slaaf”-klasse op verscheidene leerstellige of organisatorische kwesties die naar hun mening herzien dienen te worden. Suggesties ter verbetering zijn beslist juist, evenals het niet verkeerd is om naar verdere verduidelijking van enkele punten te vragen.” In overeenstemming met die verklaring moet mijn brief begrepen worden.

Jullie laatste correspondentie met mij over dit onderwerp gaf de raad dat het gepast was de kwestie op dat moment te laten rusten. Ik hoop dat jullie de navolging van die raad van mijn zijde terug zien in mijn geduld. Evenzo hoop ik dat jullie mijn verzoek als oprecht en een antwoord waardig bezien deze keer, of dat nu via persoonlijke correspondentie gebeurt of een toekomstig Wachttorenartikel. Hiervoor en voor jullie gemak heb ik mijn eerdere brieven bijgevoegd. Als jullie enige verduidelijking nodig hebben van mijn vragen of suggesties, voel jullie dan vrij me te bellen of te schrijven en ik zal het zoveel mogelijk verduidelijken.

Wees verzekerd van mijn liefde voor jullie en aanvaard mijn waardering voor al jullie harde werk ten gunste van onze naasten, onze broeders, mijn familie en mijzelf.

Jullie mededienaar,

R. Jensen

Bijlagen: Kopie van mijn oorspronkelijke brief van 16/2/'98
Kopie van mijn brief d.d. 31/7/'98

 


Download via onderstaande knop het Engelse origineel van deze brief