R. Jensen

24 Running Deer Road
Phenix City , AL 36870


Kantoor:
Thuis:

1 maart 2000

Watchtower Bible & Tract Society
25 Columbin Heights
Brooklyn, New York 11201

Re: Bloed en rechtvaardige maatstaven hooghouden

Geliefde broeders,

Ik waardeer jullie antwoord van 21 februari 2000 waarin mijn brieven van 16 februari 1998, 31 juli 1998 en 15 november 1998 samen met jullie eerdere antwoorden van 23 maart 1998 en 24 augustus 1998 in beschouwing werden genomen. Ik vrees echter dat jullie broeders de mate van mijn bezorgdheid – en specifieke vragen – niet begrijpen. (Vergelijk 2 Johannes 12) Om deze reden en uit vrees dat anderen die ons standpunt met betrekking tot bloed nauwkeurig onderzoeken zich dezelfde moeilijkheden zouden kunnen realiseren, wil ik nog eenmaal een poging doen deze moeilijkheden duidelijk te maken. Voordat ik doe, wil ik jullie eerst gerust stellen over de bezorgdheid die geuit werden in jullie antwoord van 21 februari 2000.

Ik streef er niet naar iets aan iemand op te leggen , dat tracht ik juist te vermijden, noch ben ik geneigd dit te doen. Op dit moment ben ik er niet zeker van of ik ook maar iets kan opleggen betreffende het medische gebruik van bloedcomponenten, omdat ik dit eenvoudig niet kan, wat een deel van mijn probleem is. Wanneer een plaatselijke broeder bijvoorbeeld witte bloedlichaampjes zou aanvaarden om zijn immuunsysteem te versterken, dan wordt er van mij als ouderling verwacht dat ik ons standpunt zou opleggen waarin het aanvaarden van witte bloedlichaampjes wordt verboden. Daar ik het onderscheid in ons standpunt niet aan de hand van de schrift kan uitleggen, kan ik dat standpunt niet opleggen; ik zou gedwongen zijn mezelf als incompetent voor deze zaak te beschouwen.

Ik ben niet op zoek naar manieren om iedereen ervan te overtuigen dat we gelijk hebben; dat is onrealistisch en in tegenspraak met Jezus' uitspraak dat de meeste personen zich op de weg naar vernietiging bevinden. (Vergelijk 2 Timotheüs 3:7) Wat betreft medici of ieder ander ben ik niet op zoek naar manieren om te “voorkomen dat er specifieke uitleg” wordt gevraagd, maar naar noodzakelijke overtuiging om te onderwijzen , of dat nu onderwijs aan medici, mijn familie, gemeenteverkondigers of ieder ander is. (Zie jullie brief van 21 februari 2000, blz. 2, par. 3)

Ik ben niet op zoek naar schriftuurlijke uitleg met betrekking tot een “nieuwe” leerstelling, maar een leerstelling die al tientallen jaren bestaat. Jullie brief van 21 februari 2000 moedigt terecht aan dat een ieder van ons de wachtende houding van Micha moet hebben of verkrijgen. De Wachttoren van 1 januari 2000 zegt het volgende over die houding:

“Als een christen een nieuwe uitleg van een schriftplaats niet volledig begrijpt, dan doet hij er goed aan de woorden van de profeet Micha nederig te herhalen: “Ik wil van een wachtende houding jegens de God van mijn redding blijk geven.””

Dat commentaar geeft aan hoe we persoonlijk omgaan met “nieuwe” zienswijzen, niet hoe we reeds lang gehouden zienswijzen uitleggen. Mijn vragen hebben geen betrekking op iets “nieuws” maar op zienswijzen waaraan al tientallen jaren wordt vastgehouden. Is het onredelijk uitleg te vragen over redenen/zienswijzen die worden gegeven voor tientallen jaren oude zienswijzen? Is het onredelijk dat iemand die gevraagd wordt te onderwijzen, verzoekt om begrip omtrent de “redenen achter de antwoorden” of “de schriftuurlijke redenen voor de uitleg”? (Zie “Georganiseerd Om Onze Bediening te Volbrengen, blz. 44; Onze Koninkrijksdienst, februari 2000, blz. 8) Mijn bezorgdheden bestaan nu al enige tijd, ze zijn niet nieuw of kortstondig. Ik heb jullie gevraagd om schriftuurlijke uitleg. Ik heb ook gewacht, tijd gegeven voor een nauwkeurige beschouwing van mijn verzoek van jullie zijde. Met betrekking tot “nieuwe” zienswijzen geven we meestal wel de schriftuurlijke redenen ervoor. Of we het begrijpen of niet heeft meer te maken met ons begrip van die schriftuurlijke redenen , niet het “nieuwe” begrip zelf. In dit geval is ons standpunt vrij duidelijk – hoewel ik denk dat dynamische details en de gevolgen ervan door velen gemist worden, met inbegrip van veel van onze broeders. Ik heb gevraagd om overeenkomstige schriftuurlijke verklaring voor bepaalde relevante details van ons standpunt.

Nu de verklaring van mijn bezorgdheden.

Ons standpunt betreffende het medische gebruik van bloed maakt onderscheid tussen componenten van bloed. De natuurlijke vraag die rijst is: Wanneer we opzettelijke aanvaarding van het ene bloedcomponent toelaten, waarom verbieden we dan opzettelijke aanvaarding van een andere bloedcomponent? Daar we ons standpunt als schriftuurlijk beschouwen, moeten we schriftuurlijke redenen kunnen aandragen voor het gemaakte onderscheid, anders wordt ons onderscheid onverdedigbaar, zowel in de aanvaarding als de weigering ervan. Onze lectuur en jullie eerdere antwoorden wijzen op één mogelijk schriftuurlijk onderscheid en één mogelijk onderscheid gebaseerd op redelijkheid .

Het mogelijke schriftuurlijke onderscheid heeft te maken met voeding , dat wil zeggen, of een bloedcomponent voeding geeft versus of het “gebruik wordt in andere mechanismen” waarbij het “ immunis[eert] tegen een ziekte.” (Zie jullie brief van 23 maart 1998, blz. 2, par. 3) Zoals al eerder is aangegeven bestaan er enorme moeilijkheden bij het onderscheid maken in voeding . Hieronder volgen drie moeilijkheden bij dat onderscheid, waarvan ik er twee al eerder heb genoemd.

1. Componenten die als “een gewetenskwestie” worden beschouwd zijn voeding voor het lichaam. Zeggen dat voeding het onderscheid vormt, is daarom onverdedigbaar. (Zie mijn brief van 31 juli 1998, blz. 2, par. 3, 4)

2. De volgende paragraaf uit Inzicht in de Schrift – Deel I, blz. 1349 onder het kopje “Ziekten en hun Behandeling” doet het onderscheid op voeding teniet:

“Als iemand echter bloed in zijn lichaam zou opnemen ter behandeling van een ziekte, zou hij daarmee de wet van God overtreden. — Ge 9:3, 4; Han 15:28, 29; zie BLOED.”

Het bovenstaande commentaar heeft duidelijk te maken met het effect van bloed anders dan voeding. Het commentaar is tegengesteld aan de bewering dat bloedcomponenten gebruiken om “het lichaam te immuniseren tegen een ziekte” juist is, waarmee het “voeding” onderscheid teniet wordt gedaan.

3. Het onderscheid in voeding wordt verder verward door de door ons gepubliceerde vergelijking met het “betekenisvolle” transport via de placenta van moeder naar de foetus. (Zie Vragen van Lezers uit De Wachttoren van 1 juni 1990, blz. 31, par. 11-14) Daar een foetus al zijn voeding via de placenta uit het bloed van de moeder verkrijgt, gaat ons gebruik van dat voorbeeld wederom in tegen het onderscheid in “voeding”. (Zie mijn brief van 31 juli 1998, blz. 5, par. 1)

Het geboden onderscheid op basis van redelijkheid heeft te maken met de vraag of we delen van een substantie hetzelfde moeten bezien als het geheel (Zie jullie brief van 23 maart 1998, blz. 2, par. 2) Een dergelijk onderscheid moet op één of andere manier gedefinieerd worden (bijv. op uniekheid, grootte, hoeveelheid, algemene erkenning, enz.). Daar ons standpunt als schriftuurlijk wordt gepresenteerd, moeten we zelfs dan schriftuurlijk aantonen dat ons onderscheid op basis van redelijkheid juist is (We zouden bijvoorbeeld nooit in redelijkheid kunnen zeggen dat kleine facetten/componenten van porneia toelaatbaar zijn, omdat de bijbel zegt zich zonder uitzondering “te onthouden van hoererij” – zie 1 Thessalonicenzen 4:3). Hieronder volgt echter een opsomming waaruit blijkt dat er op zijn minst drie zeer zwakke plekken zitten in het idee van onderscheid op basis van redelijkheid.

1. Componenten die als “gewetenskwestie” worden beschouwd zijn net zo uniek ten opzichte van bloed als verboden componenten, er kan dus geen redelijk onderscheid worden gemaakt op basis van uniekheid (witte bloedlichaampjes zijn bijvoorbeeld net zo uniek als stollingsfactoren.). Verder is het classificeren van bloedcomponenten als “hoofdcomponenten” en “kleine componenten” betekenisloos, tenzij “hoofd” en “klein” gedefinieerd worden.

2. Componenten die als “gewetenskwestie” worden beschouwd zijn tevens niet kleiner voor wat betreft volume, er kan dus geen redelijk onderscheid worden gemaakt op basis van grootte of hoeveelheid. (witte bloedlichaampjes hebben in totaal bijvoorbeeld een kleiner volume dan het toegestane albumine).

3. Medici noemen rode bloedlichaampjes, witte bloedlichaampjes, bloedplaatjes en plasma over het algemeen bloedcomponenten. Wanneer we het standpunt innemen dat “onthouden van bloed” van toepassing is op medische transfusies, dan biedt de bijbel geen uitzonderingen op het onthouden van bloed met betrekking tot componenten. In dat geval is de zinsnede “zich onthouden … van bloed” net zo onvoorwaardelijk als “zich onthouden van hoererij”. (Handelingen 15:20, 1 Thessalonicenzen 4:3) In de schrift vinden we geen aanwijzingen dat God het ene bloedcomponent als meer of minder uniek / belangrijk / algemeen acht dan een ander component. Het benoemen en onderscheiden van rode bloedlichaampjes, witte bloedlichaampjes, bloedplaatjes en plasma is puur door mensen gedaan. De moderne geneeskunde verdeelt, herkent en benoemt bloedcomponenten wanneer ze die ontdekken en begrijpen . God heeft van het begin af weet gehad van de diverse bloedcomponenten en hun doel. Er kan dus geen redelijk onderscheid worden gemaakt op basis van erkenning.

In toevoeging daarop bevat ons bloedstandpunt ook nog bepaalde andere tegenstrijdigheden / inconsistenties die onverdedigbaar lijken. Bijvoorbeeld:

1. De tegenstrijdigheid van enerzijds het gebruik maken van gedoneerd en opgeslagen bloed en anderzijds het veroordelen van het doneren en opslaan van bloed voor medisch gebruik.

2. Zeggen dat we ons onthouden van bloed terwijl ons standpunt het aanvaarden van bepaalde bloedcomponenten tolereert. Medici of ieder ander kan eenvoudig zeggen: “Jehovah's Getuigen onthouden zich van enkele bloedcomponenten, maar niet van alle bloedcomponenten.”

In jullie antwoord van 21 februari 2000 werd gezegd: “Je hebt je zorg uitgesproken over waarom sommige bloedfracties voor medisch gebruik aan het eigen geweten wordt overgelaten.” Mijn feitelijke zorg met betrekking tot fracties is echter het volgende: “Waarom wordt het aanvaarden van bepaalde fracties als ‘een gewetenskwestie' bezien, terwijl het aanvaarden van andere fracties niet als ‘een gewetenskwestie' wordt bezien?” Ik zie niet hoe een dergelijk onderscheid schriftuurlijk gemaakt kan worden en mijn specifieke zorgen – die hierboven zijn besproken – worden in jullie brief van 21 februari 2000 niet beantwoord.

Net zoals andere broeders ben ik staan ons standpunt met betrekking tot het medische gebruik van bloed te vertellen en geïnteresseerde personen te verwijzen naar onze publicaties. Zoals jullie zelf zeggen, moet een ieder daarna, ongedwongen, een gewetensvolle beslissing nemen. Ik ben echter geïnteresseerd in schriftuurlijke antwoorden op essentiële aspecten van ons standpunt. Zulke antwoorden geven mij de mogelijkheid te onderwijzen – met overtuiging – in plaats van slechts te kunnen vertellen . Met overtuiging onderwijzen vereist kennis en begrip van de redenen voor een antwoord of uitleg, in dit geval schriftuurlijke redenen voor een schriftuurlijk standpunt. Mijn moeilijkheid zit hem in het uitleggen en onderwijzen van ons gepubliceerde “schriftuurlijke” standpunt met behulp van schriftplaatsen en logische redeneringen, niet in het informeren over ons standpunt. (Vergelijk De Wachttoren van 15 maart 1998, blz. 19, par. 4)

Ik ben nu bang dat mijn zorgen en gestelde vragen over ons huidige standpunt geen schriftuurlijke antwoorden hebben. Wanneer deze zouden bestaan, dan zouden jullie ze naar mijn gevoel reeds met mij gedeeld hebben. Dit is zeer ontmoedigend. Desondanks zal ik mijn uiterste best doen Jehovah te dienen en vertrouw ik erop dat jullie broeders opgeworpen kwesties zullen blijven overdenken. Wanneer er in de tussentijd soortgelijke vragen aan mij gesteld worden zoals ik die hier gesteld heb, zal ik personen verwijzen naar onze publicaties. Wanneer er gevraagd wordt om schriftuurlijke antwoorden op kwesties waar ik zelf mijn vragen over heb, zal ik eerlijk moeten antwoorden dat ik ze niet heb. In sommige gevallen moet ik wellicht weigeren een kwestie te behartigen.

In mijn brief van 15 november 1999 zei ik: “ Terwijl ik jullie antwoorden op mijn vragen geduldig afwachtte, ben ik blijven bidden en nadenken over ons standpunt van tolerantie ten opzichte van bepaalde bloedcomponenten en de intolerantie ten opzichte van andere bloedcomponenten, alsook onze gehele leerstelling aangaande medische infusies van bloed.” Dat nadenken heeft ertoe geleid dat mijn vragen misschien irrelevant zijn omdat ons standpunt misschien meer vereist dan uit de bijbel gedestilleerd kan worden, dat “zich onthouden van bloed” wellicht niets te maken heeft met hedendaagse medische bloedtransfusies, waarmee mijn vragen hypothetisch zouden worden. Met betrekking tot onze leerstelling betreffende medische infusie van bloed versus het decreet “zich te onthouden van bloed” en in harmonie met de aanmoedigingen in De Wachttoren van 1 september 1982 (blz. 20, par. 15), leg ik jullie hierbij een suggestie voor met betrekking tot een verbeterde kijk op het decreet “zich te onthouden van bloed”.

Mijn suggestie is het resultaat van een lange, intensieve en soms verontrustende en gebedsvolle beschouwing. Ik verwacht er geen antwoord op. Ik leg het slechts voor ter overdenking. Ik verzeker jullie ervan dat mijn suggestie met de nederigste intentie geschreven is om onze Vader, Jehovah en Zijn vereisten beter te begrijpen, respecteren en gehoorzamen. Mijn motivatie is oprecht en in geen enkel opzicht bedoeld om Gods uitdrukkelijke wil af te zwakken. Gods woord afzwakken is tegengesteld aan het behagen van onze Maker en het verwerven van Zijn rijkelijke zegeningen. Wanneer jullie vragen hebben of erover willen spreken, voel je dan vrij dat te doen, maar nogmaals, ik hoef er niet persé een antwoord op te hebben. Ik ben ervan overtuigd dat mijn voorgestelde zienswijze reeds een fundament heeft in onze publicaties, echter zonder dat erover uitgeweid wordt hoe dit van toepassing is op het decreet “zich te onthouden van bloed” versus medische bloedtransfusies zoals heden ten dage worden toegediend. Ik moet echter toegeven dat, hoewel ik het altijd plezierig heb gevonden de bijbel te bestuderen en nazoekwerk te verrichten in onze publicaties, ik nu dieper heb moeten spitten dan ooit om de uiteindelijk eenvoudige elementen uit mijn voorgestelde zienswijze te bevatten. Mijn suggestie is in een separaat document bijgevoegd. Hoewel het wat lang is, bevat het fundamentele en eenvoudige elementen die de gepresenteerde zienswijze sterk ondersteunen.

Tot slot besef ik dat dit nu mijn vierde brief aan jullie broeders is over hetzelfde onderwerp aangaande bloed en het hooghouden van rechtvaardige maatstaven. Het herinnert mij aan Abrahams ondervraging van degene die door Jehovah gebruikt werd. (Genesis 18:22-33) Ik hoop dat jullie een manier zullen vinden om mijn vragen te beantwoorden. Als het noodzakelijk is ben ik meer dan bereid naar jullie toe te reizen om van aangezicht tot aangezicht met elkaar te spreken, zodat mijn vragen, antwoorden of suggesties begrepen worden en beproefd kunnen worden of dat we ze kunnen laten rusten. (2 Johannes 12) Ik wil mijn waardering aan jullie uiten voor het beantwoorden van al mijn brieven over het onderwerp bloed en rechtvaardige maatstaven hooghouden. Zoals ik al eerder heb gezegd heb ik, vanwege de aarde van mijn vragen, werkelijk niemand anders met wie ik hierover kon praten. Ik besef dat mijn brieven wat lang en eentonig zijn, maar dat is inherent aan het corresponderen via brieven over een onderwerp als dit, iets wat ik zo objectief mogelijk heb gedaan om een beter begrip te krijgen van Gods wil. Nogmaals, ik waardeer jullie tijd en antwoord.

Wees er alsjeblieft overtuigd van mijn liefde en respect voor jullie en mijn waardering voor al jullie harde werk ten behoeve van onze naaste, onze broeders, mijn familie en mijzelf.

Jullie medeslaaf van Jehovah,

[Getekend: R. Jensen]

------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Bijlage:

Voorgestelde Zienswijze Op Het Apostolische Decreet “Zich te onthouden van bloed” (6 pagina's)

Handelingen 15 bevat een apostolisch decreet dat bindend is voor alle christenen. Een deel van dat decreet vereist dat we ons onthouden van bloed en het verstikte (Handelingen 15:20, 29; zie ook 21:25). Getrouwheid aan Jehovah vereist dat we dat decreet gehoorzamen. Gehoorzaamheid aan dat decreet is geen vrije keuze voor christenen, maar een verplichting.

De vragen de rezen bij het beschouwen van ons standpunt inzake het medische gebruik van bloed heeft ertoe geleid de basis voor en de betekenis en toepassing van het apostolische decreet “zich te onthouden…van bloed en het verstikte” en alles wat we erover hebben gepubliceerd opnieuw te bestuderen. (Handelingen 15:29) Het is duidelijk dat het decreet gebaseerd was op de wet die God aan Noach gaf en die staat opgetekend in Genesis 9:1-16. Over het apostolische decreet onderwijzen wij: “ Heidense christenen kregen dus niet de verantwoordelijkheid opgelegd de Mozaïsche wet of een deel ervan na te komen, maar het was veeleer een bevestiging van maatstaven die al vóór Mozes waren erkend.” (Zie Verenigd in de Aanbidding van de Enige Ware God, blz. 149) Om kort te gaan leren wij dat het apostolische decreet gedefinieerd wordt door wat God tegen Noach zei en niet door de Mozaïsche Wet. Tezelfdertijd gebruiken we aspecten uit de Mozaïsche Wet om Gods intenties te bepalen met betrekking tot het verbod dat aan Noach werd gegeven. In feite leren we dat het apostolische decreet gedefinieerd wordt door de wet die aan Noach werd gegeven die op zijn beurt weer gedefinieerd word door toepassing van de Mozaïsche Wet aan Israël. Het apostolische decreet definiëren aan de hand van het verbod dat aan Noach werd gegeven, kan schriftuurlijk bezien eenvoudig worden aangetoond. Aan de andere kant is de aanvulling die wordt bereikt door het apostolische decreet met behulp van de Mozaïsche Wet aan Israël te definiëren moeilijker, zo niet ongerechtvaardigd.

Voordat er besproken wordt of de Mozaïsche Wet die van toepassing was op Israël aspecten van Gods verbod aangaande bloed aan Noach zou moeten definiëren en ook uitgebreid moet worden naar het apostolische decreet, wil ik eerst de volgende vooronderstellingen weergeven:

1. Het apostolische decreet dat enkel wordt gedefinieerd door de wet die God via Noach aan de mensheid gaf, geeft onvoldoende basis om te concluderen dat God hedendaagse medische bloedtransfusies veroordeelt.

2. Het apostolische decreet dat gedefinieerd wordt door de Mozaïsche Wet die op Israël van toepassing was, geeft voldoende basis om te concluderen dat God hedendaagse medische bloedtransfusies veroordeelt.

Wanneer de eerste bewering waar is, is het essentieel te bepalen of de Mozaïsche Wet Gods wet aan Noach verder verklaard. We zullen ons echter eerst buigen over de vraag of de wet aan Noach hedendaagse medische bloedtransfusies met zekerheid verbiedt.

Zoals staan opgetekend in Genesis 9:3, 4 zei God het volgende tegen Noach: “Al het zich bewegende gedierte dat leeft, mag U tot voedsel dienen. Zoals in het geval van de groene plantengroei, geef ik dit alles werkelijk aan U. Alleen vlees met zijn ziel — zijn bloed — moogt GIJ niet eten.” Verschaffen die woorden een basis voor het absoluut verbieden van hedendaagse bloedtransfusies?

Voor de vloed waren Noach en zijn familie getuige van de extreme en groeiende achteruitgang onder hun medemensen, inclusief het lichtzinnig omgaan met het wegnemen van menselijk leven – en waarschijnlijk ook dierlijk leven. (Genesis 6:4, 5; vergelijk ook De Wachttoren van 1 januari 1986, blz. 11, par. 6) Gedurende de vloed waren Noach en zijn familie getuige van de tot op dat moment meest verwoestende gebeurtenis in de geschiedenis van de mensheid. Naast het gebrek aan achting voor leven dat zich voor de vloed manifesteerde, waren Noach en zijn familie er tijdens de vloed getuige van hoe dierlijk en menselijk leven op niet eerder geziene schaal werd weggenomen. Het tot vrijwel uitroeien leidende wegnemen van menselijk leven was het specifieke doel van de vloed met als gevolg dat er ook een gigantisch verlies van dierlijk leven plaatsvond. In beschouwing nemend waar Noachs familie getuige van was geweest, sprak God nadien met hem over de waarde die Hij hecht aan leven, de heiligheid van leven. Dit is de context van Genesis 9:1-16.

Ondanks dat het de mensheid nooit verboden was dierlijk leven weg te nemen, werd het Noach / de mensheid volgens Genesis 9:3, 4 voor het eerst toegestaan dieren te doden tot voedsel; het werd hem toegestaan een dier te doden en zijn vlees te eten. (Genesis 3:21) En ook, vanaf Noach werd het de mensheid voor het eerst toegestaan een mens te doden, maar alleen als vergelding van een moord. (Vergelijk Romeinen 13:4). Ondanks dat het Noach toegestaan werd gedood dierlijk vlees te eten, werd het hem / de mensheid verboden het bloed van dat soort vlees te eten. Uit eerbied voor het leven werd het Noach specifiek verboden het bloed te eten van leven dat unilateraal, doch met Gods goedkeuring, was weggenomen. Uit respect voor Jehovah's woord moest Noach gehoorzamen. Samen met Zijn decreet om de aarde te vullen en Zijn unilaterale regenboogverbond, brachten Jehovah's decreten aangaande het eten van bloed van geslachte dieren en moord een hoge eerbied voor het leven bij. Voor ons onderwerp is het relevant dat Genesis 9:3, 4 niet meer verbiedt dan het eten van bloed dat wordt verkregen door het wegnemen van leven, door het doden. Die conclusie is zeker beperkter dan onze huidige, uitgebreide leerstelling. ( Zie voetnoot 1 ) Bestaat er een schriftuurlijke bevestiging voor deze beperktere conclusie? Ja.

Een fundamenteel verschil tussen de wet die aan Noach werd gegeven en de Wet van Mozes is dat Gods verbod aan Noach op de gehele mensheid van toepassing is, terwijl de Mozaïsche Wet enkel van toepassing was op de natie Israël en de proselieten. In de Wet van Mozes staat echter ook de vreemde tekst Deuteronomium 14:21. Jehovah's decreet aan Israël is relevant voor ons onderwerp, “ Gij moogt geen enkel lichaam eten dat reeds dood is. Aan de inwonende vreemdeling die binnen uw poorten is, moogt gij het geven, en hij moet het eten; of het mag aan een buitenlander worden verkocht, want gij zijt een heilig volk voor Jehovah, uw God.” Met die woorden zei God dat het de Israëlieten was toegestaan om niet-uitgebloed vlees aan degenen op wie de wet aan Noach van toepassing was te geven tot voedsel. Daar God zijn wet aan Noach, die voor de gehele mensheid gold, nooit heeft ingetrokken, moeten we ons het volgende afvragen: Zou Jehovah een daad voorstellen die bijdroeg aan, aanmoedigde tot of bevorderde dat Zijn eigen wet overtreden werd, Zijn eigen uitgesproken wil? Jehovah zegt: “Ik ben niet veranderd.” (Maleachi 3:6) In toevoeging daarop zei de discipel Jakobus dat “God niet met kwade dingen kan worden beproefd, noch beproeft hij zelf iemand.” (Jakobus 1:13) God heeft zeker nooit bijgedragen aan of aangemoedigd tot het overtreden van Zijn eigen wet aan de mensheid, noch dit ooit bevorderd.

Daar 1) God nimmer zou bijdragen aan of aanmoedigen tot het overtreden van zijn eigen wet , noch dit ooit zou bevorderen en daar 2) Deuteronomium 14:21 Jehovah's decreet bevat waarin toestemming wordt gegeven om reeds dood en dus niet-uitgebloed vlees ter voedsel te verkopen aan degenen die niet onder Mozaïsche Wet stonden, maar wel onder de wet aan Noach, bevestigt die tekst de conclusie dat Genesis 9:3, 4 niets meer verbiedt dan het eten van bloed dat wordt verkregen door het wegnemen van leven, van het doden. (Vergelijk Inzicht in de Schrift, Deel 1, blz. 362, par. 4; Zie voetnoot 2 ) Deuteronomium 14:21 laat daarom zien dat God bloed niet als heiliger beschouwt dan het leven zelf. Het laat zien dat het niet het bloed zelf of het persé eten van bloed was waarin God geïnteresseerd was toen hij tegen Noach sprak. In plaats daarvan was het Jehovah's belang de mensheid een grote eerbied voor leven in te prenten. Het verbod voor de mensheid op het eten van het bloed van door mensen geslachte en tot voedsel dienende dieren en verordenen dat moordenaars zelf de dood zouden vinden, herinnerde de mensheid aan de hoge waarde die God hecht aan leven, de heiligheid van leven, wat ook de context is van de verordening die Jehovah na de vloed aan Noach gaf. Na het catastrofale verlies van levens wilde God de mensheid er weer aan herinneren dat leven waardevol is. Jehovah wilde niet dat de eerdere degeneratie van de mensheid of veronderstellingen die gebaseerd waren op Zijn eigen daad van de vloed de waarde van leven zou verkleinen, en Hij maakte Zijn zienswijze hierop kenbaar door middel van de verordening.

Nu komen we bij de vraag of de Mozaïsche Wet die op Israël van toepassing was Gods wet aan Noach verduidelijkte. We zullen zien dat er tussen de twee wetten een zeer relevant verschil zit in de toepassing en reikwijdte van de Wet van Mozes alsook in Gods redenen voor een meer beperkende verordening met betrekking tot verboden op bloed. Dat relevante verschil weerhoudt ons ervan de Mozaïsche Wet te gebruiken om de verboden op het gebruik van bloed dat aan Noach gegeven werd te verklaren.

Eén groot obstakel in het toepassen van de Mozaïsche Wet op christenen zijn teksten als Efeziërs 2:15, Romeinen 7:6; 10:5 en 2 Korinthiërs 3:14, welke allen duidelijk aangeven dat christenen niet gebonden worden door bepalingen uit de Mozaïsche Wet. Naast dat aanzienlijke obstakel bestaat er nog één in Gods beschreven reden voor “waarom” Zijn specifieke verboden op het gebruik van bloed beperkender waren binnen de Mozaïsche Wet, welke reden we kunnen vinden in Leviticus 17:10-12. Daar staat:

“ Wat enige man betreft van het huis van Israël of een inwonende vreemdeling die in UW midden vertoeft, die enig soort van bloed eet — tegen de ziel die het bloed eet, zal ik stellig mijn aangezicht keren, en ik zal hem inderdaad uit het midden van zijn volk afsnijden. Want de ziel van het vlees is in het bloed, en ikzelf heb het ten behoeve van U op het altaar gegeven, om verzoening te doen voor UW ziel, want het is het bloed dat verzoening doet door de ziel [die erin is]. Daarom heb ik tot de zonen van Israël gezegd: „Geen ziel van U dient bloed te eten en geen inwonende vreemdeling die in UW midden vertoeft, dient bloed te eten.” ( Cursivering toegevoegd)

Gods reden voor de meer beperkende verboden aangaande het gebruik van bloed voor “de zonen van Israël” bestond uit twee aspecten. ( Zie voetnoot 3 ) Merk alsjeblieft op dat Jehovah een enkele “waarom” reden had die bestond uit twee verschillende aspecten. Samen vormden deze aspecten de reden “waarom” Jehovah's specifieke verboden op het gebruik van bloed binnen de Mozaïsche Wet voor “de zonen van Israël” beperkender waren. De wet aan Noach over bloed was door Jehovah in de Mozaïsche Wet geïntegreerd , de wet die bloed als illustratief voor leven gebruikt. In toevoeging daarop wees Jehovah erop hoe hij bloed voor “de zonen van Israël” onderdeel had gemaakt voor hun zoenoffers. In beschouwing nemend dat bloed reeds illustratief was gebruikt voor leven en dat bloed, in de Mozaïsche Wet, bij verordening net zo belangrijk was voor de zoenoffers die God voor Israël in het leven had geroepen, zette Jehovah voor Israël meer beperkende wetten uiteen met betrekking tot het gebruik van bloed dan voor ieder ander.

Als gevolg daarvan is het definiëren van de wet aan Noach met betrekking tot bloed met behulp van de Mozaïsche Wet zoals die op Israël van toepassing was, onwerkbaar en onrechtmatig omdat Jehovah's bloedverboden aan Israël en de redenen voor die verboden duidelijk verschilde van die aan Noach en de gehele mensheid buiten de Wet van Mozes, ze waren beperkender . Hoewel de verordening aan Noach geïntegreerd was in de Mozaïsche Wet, werden er hierin verboden aangaande bloed opgenomen die verder gingen en uniek waren voor die wet, en hadden ze specifiek te maken met zoenoffers. Daar christenen zeker niet verplicht zijn de zoenoffers uit de Mozaïsche Wet te brengen, is de reden voor de meer beperkende verboden op het gebruik van bloed uit die wet verdwenen – ja, voor degenen buiten de Mozaïsche Wet hebben ze nooit bestaan.

Inherent aan deze voorgestelde zienswijze van het apostolische decreet is dat leven zelf in Gods zienswijze niet ondergeschikt aan bloed is, dat wil zeggen, Jehovah beschouwt bloed niet als heiliger dan leven. De vraag is daarom: Is het juist om ons leven te geven zodat een ander een tijdelijk leven zou kunnen verkrijgen door die gave? Jezus zei: “ Niemand heeft grotere liefde dan deze, dat iemand afstand doet van zijn ziel ten behoeve van zijn vrienden.” (Johannes 15:13) Jezus moedigde christenen dus feitelijk aan bereid te zijn hun leven te geven, zodat een ander tijdelijk leven zou kunnen verkrijgen door die daad. Tenzij bloed als heiliger dan leven wordt beschouwd, staat Jezus' uitspraak het toe bloed te doneren met als doel het redden van een leven, zelfs wanneer dat leven slechts een tijdelijk voordeel geeft. ( Zie voetnoot 4 )

Evenzo waren bijbelse figuren zoals David en Abisaï bereid hun leven in de waagschaal te leggen of zelfs te geven ten gunste van anderen. Zulke mannen waagden vrijwillig hun leven of verloren het soms in gevechten met Israëls vijanden en in verdediging van mede Israëlieten. Het is waar dat hun motieven te maken hadden met het doen van Gods wil; toch wisten ze ook dat Israëlitische broeders voordeel trokken van hun onzelfzuchtige daden en dat deze onzelfzuchtige daden dankbaar werden erkend en aanvaard . (2 Samuël 21:15-17; vergelijk Handelingen 9:24, 25) ( Zie voetnoot 5 )

De hierboven beschreven voorgestelde zienswijze erkent en bepleit een diep respect en gehoorzaamheid aan het apostolische decreet “zich te onthouden van bloed”. Dit vereist dat christenen een hoge achting hebben voor het leven, net zoals God dat doet. Gehoorzaamheid aan het apostolische decreet verplicht christenen tot een grotere mate van respect voor leven, Gods kijk op leven . Het vereist dat christenen leven respecteren en beschouwen zoals God in zijn woorden aan Noach uiteenzette en niet zoals de kijk op het leven zoals die voor de vloed bestond. Het vereist 1) zich te onthouden van enig bloed van tot voedsel dienende, geslachte dieren en 2) zich te onthouden van het wegnemen van menselijk leven. Het christelijke vereiste in beschouwing nemend discipelen te maken door het goede nieuws van Gods koninkrijk te prediken en te onderwijzen en het resultaat van het niet aanvaarden van die boodschap, vereist het apostolische decreet ook 3) dat we met geheel onze ziel werken terwijl we die opdracht vervullen. (Vergelijk Mattheüs 24:14 en 28:19, 20 met 2 Thessalonicenzen 1:8) Het apostolische decreet vereist echter geen onthouding van een medische transfusie zoals die heden ten dage worden toegediend, omdat daarbij geen wegnemen van leven gemoeid is.

Tot slot wil ik een bijkomende redenatie beschouwen die wij gebruiken in onze verklaringen omtrent bloedtransfusies.

We hebben gezegd dat het van wijsheid getuigd ons van medische transfusies te onthouden vanwege de gevaren die kleven aan het gebruik. Wanneer we echter in beschouwing nemen dat Gods toestemming voor het eten van vlees evenzo aanzienlijke gezondheidsrisico's met zich brengt, wordt een dergelijke redenering problematisch. Wanneer vlees, net als bloed , blootgesteld wordt aan schadelijke organismes of op onjuiste wijze wordt klaargemaakt of uitgekozen, kan het aanzienlijke gezondheidsproblemen veroorzaken en zelfs lijden tot de dood (wat in sommige gevallen ook is gebeurd). Zelfs in ontwikkelde landen sterven er jaarlijks duizenden mensen aan voedselvergiftiging. Daar voedselvergiftiging de gezondheid schaadt en tot de dood kan lijden zoals ook het medische gebruik van bloed kan doen, kunnen we geen unieke wijsheid verbinden aan het onthouden van het ene versus het andere gebaseerd op gezondheidsrisico's. Iemand zou kunnen betogen dat bloed van persoon tot persoon uniek is en dat die uniekheid, naast de gezondheidsrisico's van besmet bloed, een op zichzelf staand gezondheidsrisico met zich brengt. Hetzelfde kan echter worden gezegd dat dierlijk vlees en sommige planten die op zichzelf giftig zijn wanneer een mens ze eet. Bepaald dierlijk vlees vormt een inherent en aanzienlijk risico voor de menselijke gezondheid en zelfs het leven wanneer ze niet goed wordt klaargemaakt of zorgvuldig wordt uitgekozen. Ik durf de uitspraak te doen dat er meer mensen negatief geraakt worden door voedselvergiftiging door het eten van dierlijk vlees dan door medische bloedtransfusies.

In overeenstemming met de instructies van “de getrouwe slaaf” laat ik deze voorgestelde, verbeterde kijk of het apostolische decreet “zich te onthouden van bloed” nu in de handen van jullie, broeders. Voor mij ligt de kwestie nu in Jehovah's handen. (Zie De Wachttoren van 1 september 1982, blz. 20, par.15)

[Getekend: R. Jensen]

Voetnoot 1:

Een nauwkeurige beschouwing van de volgende citaten uit onze lectuur bevestigen de fundamentele en eenvoudige elementen van mijn voorgestelde, nauwere zienswijze:

Verenigd In de Aanbidding van de Enige Ware God, blz. 149, par. 8 luidt:

“Toen het geschilpunt of de Mozaïsche wet voor heidense christenen gold, in de eerste eeuw aan het besturende lichaam in Jeruzalem werd voorgelegd, was hun beslissing in overeenstemming met deze feiten. Zij zagen in dat Jehovah van heidense gelovigen niet verlangde dat zij de werken van de Mozaïsche wet verrichtten, aangezien de heilige geest op hen werd uitgestort zonder dat zij deze werken ooit hadden verricht. In de beslissing van dat besturende lichaam waren als „noodzakelijke dingen” wel enkele verbodsbepalingen opgenomen die in overeenstemming waren met die Wet, maar die waren gebaseerd op het bijbelse verslag over gebeurtenissen die aan de Wet voorafgingen. Heidense christenen kregen dus niet de verantwoordelijkheid opgelegd de Mozaïsche wet of een deel ervan na te komen, maar het was veeleer een bevestiging van maatstaven die al vóór Mozes waren erkend. — Hand. 15:28, 29; vergelijk Genesis 9:3, 4; 34:2-7; 35:2-5” (Ik benadruk )

Inzicht In de Schrift, Deel I, blz. 362, par. 3 luidt:

“Volgens Deuteronomium 14:21 was het geoorloofd om een dier dat vanzelf gestorven was of dat door een wild beest was verscheurd, aan een inwonende vreemdeling of een buitenlander te verkopen. Er werd dus onderscheid gemaakt tussen het bloed van zulke dieren en dat van dieren die werden geslacht om tot voedsel te dienen. (Vgl. Le 17:14-16.) De Israëlieten, en ook de inwonende vreemdelingen die tot de ware aanbidding overgingen en onder het Wetsverbond kwamen te staan, waren verplicht de verheven vereisten van die Wet na te leven. Mensen van alle natiën waren gebonden door het vereiste in Genesis 9:3, 4 , maar met betrekking tot het in acht nemen van dat vereiste legde God degenen die onder de Wet stonden, een hogere maatstaf op dan buitenlanders en inwonende vreemdelingen die geen aanbidders van Jehovah waren geworden.” (Ik benadruk )

Voetnoot 2:

De Wachttoren van 15 april 1983 bevatte een Vragen van Lezers die spreek over Deuteronomium 14:21. De volgende vraag wordt behandeld: Zou het in de bijbel opgetekende verbod met betrekking tot bloed alleen van toepassing kunnen zijn op bloed van een slachtoffer dat door een mens is gedood, en niet op niet-uitgebloed vlees van een dier dat een natuurlijke dood is gestorven of op bloed van een levend dier of mens? De conclusie in het artikel is “Nee.” Het artikel bereikt deze conclusie echter door zich te baseren op “de religieuze positie” van de betrokken personen in plaats van de toepasbare wetten van God. De toepasbare wetten van God waren als volgt: De Mozaïsche Wet was op Israël van toepassing, waarin de wet aan Noach was opgenomen. Op ieder ander was de wet aan Noach van toepassing (Zie Inzicht, blz. 361, par. 7; Inzicht, blz. 446, par. 4) Religieuze voorkeuren of gewoonten zijn irrelevant voor de vraag wat God vereist. In het geval van Deuteronomium 14:21 wordt er nergens aangegeven dat degenen die het niet-uitgebloede vlees ontvingen om tot voedsel te dienen op één of andere manier vrijgesteld waren van Gods wet aan de mensheid zoals die aan Noach gegeven werd. Bovendien sprak God niet tegen degenen buiten de Mozaïsche Wet, maar juist degenen die onder die wet stonden. Daar ze onder die wet stonden (niet-Israëlieten / proselieten) zou God nooit bijdragen aan of aanmoedigen tot het overtreden van zijn eigen specifieke wet aangaande het consumeren van bloed, noch dit ooit bevorderen, net zoals hij dat niet zou doen met Zijn wet aan Noach met betrekking tot moord. Een dergelijke daad van Gods zijde zou de grondslag voor die wet ondermijnen, namelijk respect en gehoorzaamheid. Als gevolg daarvan verschaft Deuteronomium 14:21 een unieke moeilijkheid wanneer we het in overeenstemming proberen te brengen met Gods wet aan Noach, tenzij Genesis 9:3, 4 niets meer verbiedt dan het eten van bloed dat wordt verkregen door het wegnemen van leven, door te doden. Het is interessant dat onze publicatie Inzicht in de Schrift, Deel 1 (gepubliceerd in 1988) op bladzijde 362, paragraaf 6 toegeeft dat Deuteronomium 14:21 een onderscheid maakt tussen het bloed van reeds dode dieren versus het bloed van dieren die door iemand tot voedsel geslacht worden. Het bevestigt dat alle mensen gebonden zijn aan Gods vereisten uit Genesis 9:3, 4 en dat degenen die onder de wet aan Noach stonden toch niet-uitgebloed vlees konden ontvangen en eten dat niet was geslacht om tot voedsel te dienen. Dat Jehovah dat onderscheid maakt tussen personen buiten de Mozaïsche Wet die wél onder de wet aan Noach stonden, verklaren de intenties van Zijn woorden die staan opgetekend in Genesis 9:3, 4.

Voetnoot 3:

Dat de Mozaïsche Wet “beperkender” was met betrekking tot de verboden op het gebruik van bloed is duidelijk. Onder de Mozaïsche Wet mocht bloed bijvoorbeeld alleen gebruikt worden in verzoenende offergaven, in alle andere gevallen moest het bloed op de aarde uitgegoten worden. (Leviticus 16:15; 17:13) Noach had die beperking niet. De wet aan Noach mag dan in de Mozaïsche Wet zijn opgenomen, maar dat betekent nog niet dat de “meer beperkende” Mozaïsche Wet de wet aan Noach ook verklaart. Wederom is het interessant dat onze publicatie Inzicht in de Schrift, Deel 1 op blz. 362, par. 3 verklaart dat, ondanks dat alle mensen gehouden werden aan de vereisten uit Genesis 9:3, 4, de “zonen van Israël” door God aan “verhevener vereisten” werden gehouden, andere vereisten die waren opgenomen in de Mozaïsche Wet. Het feit dat de wet aan Noach en de Wet van Mozes verschillende vereisten hadden en op andere personen van toepassing waren, geeft goed weer waarom de ene niet gebruikt kan worden om de andere te verklaren – ze zijn verschillend , de ene is meer beperkend dan de andere.

Voetnoot 4:

De Wachttoren van 1 juli 1951 (Engelse uitgave – Vertaler) bevatte een Vragen van Lezers artikel die sprak over Johannes 15:13. Het behandelde de volgende vraag: “Wanneer een transfusie goed doet, wellicht zelfs een leven redt, is het dan niet een christelijke daad om te verrichten? Zei Jezus niet “ Niemand heeft grotere liefde dan deze, dat iemand afstand doet van zijn ziel ten behoeve van zijn vrienden'?” Het antwoord dat wordt gegeven is “Nee.” Het artikel kwam echter tot die conclusie door aan te geven dat Jezus op één of andere manier zou suggereren dat het niet zinvol zou zijn voor zijn volgelingen om hun leven te geven, omdat hun leven geen verzoenende waarde zou hebben zoals het zijne. Een dergelijke redenering is onjuist, omdat Jezus welzeker de mindere voordelen van het geven van een leven door zijn discipelen kende en dat ze slechts tijdelijk zouden zijn, toch moedigde hij er wel toe aan. Sinds 1951 hebben onze publicaties dit erkend, maar er is nooit een relatie gelegd met het doneren van bloed voor medisch gebruik, of dat nu voor volbloed transfusies is of voor het gebruiken van bepaalde componenten. (Zie Inzicht, Deel 2, blz. 201/202 onder het kopje “Jezus Christus”) In antwoord op de vraag die in het artikel gesteld werd, worden er ook cirkelredeneringen gebruikt zoals “En [het redden van een leven door transfusie] in ongehoorzaamheid aan Gods geboden, kan ons het eeuwige leven kosten” en “er komt niets goeds voort uit het overtreden van Gods wet, ongeacht de hoeveelheid wereldse wijsheid die wordt aangedragen om het te rechtvaardigen.” Wanneer ze waar zijn, zouden zulke beweringen juist zijn geformuleerd, maar nu zijn het cirkelredeneringen omdat ze in antwoord op de vraag een conclusie gebruiken die als argument wordt gebruikt voor diezelfde conclusie.

Voetnoot 5:

Davids reactie op zijn sterke mannen die hun leven riskeerden voor winnen van water uit de waterreservoirs bij de poort van Bethlehem is opmerkelijk (opgetekend in 2 Samuël 23:13-16). In antwoord op het nodeloze in gevaar brengen van hun leven zei David: “ Het is mijnerzijds niet denkbaar, o Jehovah, dat ik dit zou doen! Zal ik het bloed van de mannen drinken, die met gevaar voor hun ziel er op uit zijn gegaan?” (Ik cursiveer ) Het verslag vermeldt dat David het water niet wilde drinken. Het is interessant dat David het drinken van het water beschouwde als het drinken van het bloed van zijn mannen. David was echter niet afkerig van het drinken van het bloed van zijn mannen, maar van het nodeloze risico op hun leven wat ze hadden genomen; hun nodeloze risico was zijn bezwaar. Bij andere gelegenheden aanvaardde David wel de voordelen waarvoor zijn mannen ook hun leven in de waagschaal hadden gesteld. Ja, bij andere gebeurtenissen waar de omstandigheden het meer waard waren, spoorde David zijn mannen aan tot de strijd tegen Israëls vijanden, zelfs wanneer hun leven daarmee gevaar liep. Als een goede koning was David zelfs bereid zijn eigen leven in de Israëlitische veldslagen te wagen. (Zie 2 Samuël 21:15-17) Daar elke Israëlitische soldaat wist dat ze gedood konden worden in de strijd, gaven ze blijk van een moedige en zelfopofferende geest terwijl ze zich in de strijd stortten. (Jozua 7:5; vergelijk Deuteronomium 20:8) Zulke daden zijn voorbeelden van Jezus' instructie, dat zin volgelingen de bereidheid hebben hun leven te geven zodat anderen kunnen blijven leven. (Johannes 15:13)


Download via onderstaande knop het Engelse origineel van deze brief