R. Jensen

24 Running Deer Road
Phenix City , AL 36870


Kantoor:
Thuis:

3 januari 2001

Watchtower Bible & Tract Society
25 Columbia Heights
Brooklyn, NY 11201

Re: Bloed en rechtvaardige maatstaven hooghouden

Geliefde broeders,

Deze brief volgt op de correspondentie die ik jullie op 1 maart 2000 heb toegestuurd alsook op het addendum van 3 maart 2000. Beide brieven zijn als bijlagen toegevoegd.

De brief van 1 maart 2000 bevatte enkele duidelijk omschreven moeilijkheden in ons huidige standpunt op het gebruik van gedoneerd bloed voor medische doeleinden. Die brief en ook die van 3 maart 2000 bevatte tevens een separaat document waarin de suggestie tot wijzigen van ons standpunt omtrent bloed werd gegeven en die suggestie omvatte schriftuurlijke redenaties over waarom de voorgestelde wijziging passend en juist is. Met deze brief wil ik jullie aandacht vragen voor mijn voorgestelde wijziging en voor de evidente moeilijkheden in ons huidige standpunt en wil ik jullie om een schriftuurlijk antwoord vragen.

Mijn brieven uit maart 2000 gaven aan dat er op dat moment geen antwoord noodzakelijk was omtrent mijn suggestie voor het wijzigen van onze leerstelling. Ik verwachtte echter wel een antwoord op mijn brief waarin mijn bezorgdheden over ons huidige standpunt werden behandeld. Toen jullie niet reageerden heb ik besloten te wachten en ernaar uit te kijken dat die ernstige bezorgdheden grondig behandeld en verklaard zouden worden in één van onze publicaties. In eerste instantie dacht ik dat de Vragen van Lezers uit De Wachttoren van 15 juni 2000 een antwoord bevatte op de moeilijkheden in ons standpunt over het onderhavige onderwerp, maar na het gelezen te hebben vond ik geen verklaring of antwoord op de problemen waarop ik in mijn brief van 1 maart 2000 heb gewezen. Integendeel, ik zag dat het artikel de moeilijkheden alleen maar vergrootte, omdat het beweerde dat ons standpunt eenvoudig is, terwijl het in werkelijkheid helemaal niet zo eenvoudig is. De vraag die gesteld werd luidde: “ Zijn er uit bloed gewonnen medische producten die aanvaardbaar zijn voor Jehovah's Getuigen?” De eerste zin van het antwoord in dat artikel verklaart: “ Het basisantwoord luidt dat Jehovah's Getuigen geen bloed aanvaarden.” Gebaseerd op de rest van het artikel zou het echter het nauwkeuriger fundamentele antwoord moeten luiden dat Jehovah's Getuigen sommige delen van bloed aanvaarden, maar andere delen afwijzen.

Het artikel van 15 juni spreekt herhaaldelijk over factors en/of fracties uit een bloedcomponent alsof dat belangrijk zou zijn. Een substantie benoemen als een ‘fractie uit bloedcomponenten', verandert niets een het feit dat sommigen van die fracties net zo uniek voor bloed zijn als andere, verboden onderdelen van bloed. (Wat maakt een toegestane volledige proteïne component [zoals albumine of factor VIII] inferieur aan een verboden volledige proteïne component als bloedplaatjes?) Iets benoemen als een ‘fractie uit bloedcomponenten', draagt niet de erkenning in zich dat enkelen van de toegestane ‘fracties' een groter volume hebben dan andere verboden delen van bloed. Het artikel van 15 juni spreekt enkel over ‘fracties uit bloedcomponenten' in overeenstemming met een arbitraire onderverdeling in componenten, namelijk witte bloedcellen, rode bloedcellen, bloedplaatjes en bloedplasma. Die onderverdeling is arbitrair omdat de bijbel een dergelijk onderscheid tussen bloedcomponenten niet maakt, alsof een fractie uit één van dezen een minder dan een onderdeel van bloed is, een minder onderdeel van bloed is of dat het bijbels bezien minder belangrijk is. Tenslotte, in de context van dat artikel wordt er, bij het benoemen van iets als een 'fractie van bloed', volkomen voorbij gegaan aan het feit dat elk onderdeel van bloed vermengd zit in het plasma. Dat betekent dat verboden componenten zoals bloedplaatjes uit bloedplasma geëxtraheerd moet worden, net zoals andere toegestane onderdelen van bloed wanneer deze separaat gebruikt of toegediend gaan worden. Daarom is het betekenisloos iets een “fractie uit plasma” te nomen alsof die actie voor bepaalde componenten een unieke, secundaire extractie is, maar voor anderen niet. Daar bovenstaande kwestie niet behandeld worden in het artikel van 15 juni is de belangrijkheid van de uitdrukking “fracties van bloedcomponenten” onvoldoende en is het een arbitrair onderscheid.

Zoals ik hier en in mijn brief van 1 maart 2000 heb aangegeven, is ons standpunt omtrent het aanvaarden van sommige delen van bloed en het weigeren van andere delen van bloed niet onderbouwd en heeft het zover ik kan zien ook geen ondersteuning vanuit de schrift. Ik heb herhaaldelijk gevraagd om leiding om te vertellen waar dit standpunt vanuit de schrift beredeneerd kan worden, maar heb dat niet mogen ontvangen. De bewering in het artikel van 15 juni dat ons standpunt eenvoudig is, verbijstert personen die ons standpunt vanuit een schriftuurlijk perspectief willen begrijpen, inclusief mijzelf (en ik verdiep me nauwkeurig en zeer veel in dit onderwerp). Zoals ik eerder schreef leren we dat we ons van bloed onthouden, terwijl ons standpunt preciezer beschreven zegt dat we ons onthouden van sommige delen van bloed, maar dat we ons niet onthouden van andere delen van bloed. Ik kan een arts of ieder ander niet met een rein geweten vertellen dat we ons onthouden van alle medische gebruik van gedoneerd en opgeslagen bloed, terwijl dat wel wordt geïmpliceerd wanneer we personen vertellen dat we ons onthouden van bloed.

In de tijd van de Wachttoren van 15 juni ging ik ervan uit dat er nog meer gepubliceerd zou worden over het medische gebruik van bloed en daarom besloot ik geduldig te blijven wachten en jullie nog niet te schrijven. In eerste instantie was ik verheugd te zien dat het onderwerp in de Vragen van Lezers van 15 oktober 2000 weer werd behandeld, maar mijn verheuging maakte snel plaats voor nog meer bezorgdheid dat we sleutelelementen van de opgeworpen moeilijkheden negeren, moeilijkheden die iedereen kan ontdekken wanneer ze de details van ons standpunt bestuderen.

Wat vooral verwarrend/verontrustend is, is een vergelijk tussen de wijze waarop het artikel van 15 juni en dat van 15 oktober om gaan met het gegeven van het uitgieten van bloed op de grond. Het artikel van 15 juni verwijst rechtstreeks naar dat gegeven als een redenatie om componenten van bloed te weigeren, terwijl hetzelfde artikel beweert dat “er ook christenen zijn die anders beslissen.” Volgens dat artikel behelst ons standpunt dus niet dat het uitgieten van bloed op de grond, zoals voorgeschreven was in de Mozaïsche Wet, iets is wat christenen als een absolute standaard moeten bezien. Wanneer ons standpunt die standaard namelijk wel als absoluut beschouwt, zouden we alle medisch gebruik van gedoneerd en opgeslagen bloed weigeren, omdat alles daarvan volgens ons op de grond zou moeten worden uitgestort. In afwijking van het artikel van 15 juni, beschouwt het artikel van 15 oktober het uitgieten van bloed op de grond wel als een absolute standaard. Het artikel zegt namelijk: “ We staan dus geen bloed af en slaan evenmin voor een transfusie ons bloed op dat 'uitgegoten' moet worden. Dat is in strijd met Gods wet.” Een vergelijking tussen de artikelen van 15 juni en van 15 oktober geeft dus aan dat het ene artikel het ‘uitgieten van bloed' beziet als minder dan een absolute standaard, terwijl het andere artikel het ‘uitgieten van bloed' beschouwt als een absolute standaard. De twee artikelen zijn contradicterend op een fundamentele redenering.

Hoewel het artikel van 15 oktober zegt, “w e staan dus geen bloed af en slaan evenmin voor een transfusie ons bloed op dat 'uitgegoten' moet worden,” wordt er niet rechtstreeks ingegaan op het gebruikmaken van de gedoneerde en opgeslagen bloedvoorraad, noch wordt er schriftuurlijke aandacht aan besteed. Ons standpunt is conflicterend, omdat we bereid zijn gebruik te maken van de gedoneerde en opgeslagen bloedvoorraad, maar we niet bereid zijn deze zelfde voorraad aan te vullen. Toen ik met mijn vader over dit onderwerp sprak (ook een ouderling), vroeg ik hem of hij dankbaar zou zijn wanneer het leven van één van zijn kinderen gered zou worden door gebruikmaking van bepaalde aanvaardbare bloedcomponenten. Hij gaf aan dat hij er inderdaad dankbaar voor zou zijn dat de behandeling hun leven had gered. Toen ik hem vroeg of hij zelf die bloedcomponent zou doneren om hun leven te redden, zei hij “Nee”. Het was dus allemaal mooi en aardig wanneer de levensreddende daad bereikt kon worden door iemand anders zijn bloeddonatie, maar het betekent niet dat we die donatie zelf zouden doen. Dat is geen kritiek op mijn vader of een ander, het dient alleen ter illustratie van één van de verwarrende en tegenstrijdige aspecten van ons huidige standpunt. Ik kan niet de enige zijn die deze belangrijke ongelijkheid inziet en tevens de noodzaak ziet deze op te lossen.

Het blijkt dat noch het artikel van 15 juni, noch het artikel van 15 oktober ook maar enigszins zijn ingegaan op de moeilijkheden die ik in mijn brieven met het onderwerp ‘Bloed en rechtvaardige maatstaven hooghouden' onder jullie aandacht heb gebracht. Een nauwkeuriger omschrijving van die moeilijkheden kunnen jullie vinden in mijn brief van 1 maart 2000 en hierbij wil ik jullie om een antwoord vragen op die zorgen. Jullie zullen ook de overige brieven die tussen ons verstuurd zijn over dit onderwerp willen bekijken. Om die reden en voor jullie gemak, heb ik kopieën van al onze correspondentie over dit onderwerp bijgevoegd.

Naast de aandacht voor diverse moeilijkheden in onze huidige standpunt, gaf mijn brief van 1 maart 2000 ook mijn gevoel weer dat ons standpunt geheel verkeerd is en dat een wijziging ervan op zijn plaats zou zijn. Die conclusie werd besproken in een separaat bijgevoegd document met een voorstel tot verandering en er werden feitelijke, fundamentele en eenvoudige schriftuurlijke argumenten ter ondersteuning in aangehaald. Daar onze publicaties deze argumenten niet weerleggen en ik ook niet op andere wijze iets heb gelezen of gehoord dat ze weerlegt, blijft mijn gevoel overeind dat ons standpunt in zijn geheel verkeerd is en dat een wijziging ervan op zijn plaats zou zijn. Mijn gevoelens zijn zelfs nog versterkt, omdat fundamentele argumenten die ik in mijn voorstel aanhaalde nadrukkelijk ondersteund worden door leerstellingen uit onze eigen lectuur. Begrijp alsjeblieft dat ik gewetensvol en getrouw de Schrift en onze publicaties heb doorzocht terwijl ik de punten met betrekking tot het medisch gebruik van gedoneerd bloed heb proberen op te lossen.

Terwijl ik wachtte op een antwoord van jullie of een publicatie waarin deze zaken behandeld zouden worden, ben ik doorgegaan met het bestuderen van de Schrift en onze publicaties en blijven bidden en mediteren over dit onderwerp. Naast het feit dat ik bezorgd ben over de inherente en onopgeloste moeilijkheden in ons standpunt, hebben deze zaken ertoe bijgedragen dat mijn gevoel enkel maar is versterkt met betrekking tot het idee dat ons standpunt in zijn geheel verkeerd is en verandering noodzakelijk is. Zonder teveel van jullie tijd te vergen, wil ik gedeelten van mijn meditatie en ontdekkingen over dit onderwerp sinds de brief van 1 maart 2000 hier met jullie delen.

De Vragen van Lezers van 15 oktober citeerde commentaren uit De Wachttoren van 1 juli 1951 die antwoorden op bepaalde sleutelvragen zou bevatten over het medisch gebruik van bloed. De meest fundamentele verklaring daarin over dit onderwerp is waarschijnlijk de volgende:

Daar christenen niet onder de Mozaïsche Wet staan waarin deze restricties op bloed benadrukt worden, waarom zouden we dan gebonden zijn door zulke bepalingen?

De restricties op bloed bestonden reeds voor de Mozaïsche Wet, toen ze eeuwen eerder werden gegeven zoals staat opgetekend in Genesis 9:4. Ze bleven van kracht voor christenen, zelfs nadat de Mozaïsche Wet met Christus aan de paal werd gehangen. Het eerste antwoord in deze groep van vragen en antwoorden liet zien dat deze restrictie op bloed voor alle christenen geldt. Toen er instructies werden gegeven over de minimale vereisten, werd deze kijk op bloed namelijk als één van de “noodzakelijk dingen” meegenomen. Het beginsel omtrent bloed bestond dus zowel voor als na de Mozaïsche Wet, toch was het zo essentieel dat het erin opgenomen en benadrukt werd.

Mijn voortdurende beschouwing van die onderwerp heeft een duidelijke onjuistheid in dat antwoord naar boven gebracht. Het is bijvoorbeeld waar dat Noach een restrictie werd opgelegd met betrekking tot bloed, maar het is niet waar dat dit dezelfde restrictie was als later onder de Mozaïsche Wet gold, alsof de Mozaïsche bloedrestricties reeds “bestonden”. Er bestaat in feit een fundamenteel verschil tussen de vereisten uit beide wetten. Noach mocht slechts één ding niet doen met het bloed van de dieren die hij doodde tot voedsel, terwijl de Mozaïsche Wet alles verbood met welk bloed maar ook, buiten het gebruik met offerandelijke doeleinden. Een offerandelijk doel was vereist. Dat verschil wordt al teruggezien in het vereiste het bloed uit te gieten op de grond. Hoewel er tegen Noach werd gezegd het bloed van de dieren die hij tot voedsel doodde niet te eten, werd hem niet gezegd het bloed uit te gieten op de grond. Noach kon het bloed op allerlei manieren gebruiken zonder dat hij daarbij Gods wet omtrent het niet eten van het bloed van tot voedsel gedode dieren zou overtreden. Wanneer we nadenken over de manieren waarop Noach het bloed zou hebben kunnen gebruiken, is het duidelijk dat Jehovah hem geen restricties heeft opgelegd over het op vele, vele manieren gebruiken ervan, ongeacht of dit voor een offerandelijk doel was of niet.

Daar Genesis 9:4 bijvoorbeeld enkel spreekt over een verbod voor mensen, was er niets in Gods opgetekende verklaring aan Noach dat Noach verbood het bloed met opzet te gebruiken voor het voeden van dieren (wat dieren sowieso al doen). De Mozaïsche Wet verbood dat soort van opzettelijke gebruik echter wel voor degenen die onder deze wet stonden. Noach had de natuurlijke kleurstof van het bloed ook kunnen gebruiken als een soort van verf en toch had dit niet geconflicteerd met hetgeen God tegen hem had gezegd. Zo'n gebruik was onder de Mozaïsche Wet echter verboden voor degenen die er door God aan gehouden werden. We kunnen dus zien dat er een fundamenteel verschil bestaat tussen het verbod aan Noach en de latere, meer uitgebreide verboden die werden gegeven onder de Mozaïsche Wet aan degenen die er door God aan gehouden werden. Het eerste bevatte een enkel verbod aangaande het bloed van geslachte dieren, terwijl het tweede allesomvattende verboden bevatte. Verder werd in het ene geval bloed gereserveerd voor heilig gebruik en werd het in het andere geval niet gereserveerd voor heilig gebruik. Van Noach werd niet vereist dat hij bloed als even heilig als de Israëlieten behandelde.

Dat artikel uit 1951 zegt ook het volgende: “Dit beginsel met betrekking tot bloed bestond dus voor en na de Mozaïsche Wet, en toch was het essentieel dat het erin werd opgenomen en benadrukt.” Die bewering is niet geheel en al waar. De Mozaïsche Wet deed meer dan slechts het beginsel dat God aan Noach gaf benadrukken, het voegde er zaken aan toe. Iets ergens aan toevoegen is meer en anders dan iets benadrukken. Dat de Mozaïsche Wet iets “toevoegde” en niet slechts “benadrukte” blijkt uit het feit dat het een absoluut verbod bevatte op het gebruik van bloed, met uitzondering van offerandelijk gebruik (wat werd vereist), terwijl de wet aan Noach geen vereiste stelde aan het offerandelijk gebruik van bloed en slechts één gebruik van bloed verbood, namelijk dat de mensheid geen bloed van dieren mocht eten wiens leven was weggenomen om tot voedsel te dienen. De vraag waar het om draait is daarom: Waarom bevatte de Mozaïsche Wet aanvullende verboden in vergelijking met de wet die Jehovah aan Noach gaf? Die vraag heb ik beantwoord in mijn brief van 1 maart 2000. Het komt erop neer dat Jehovah met de Mozaïsche Wet voor het eerst heilige, verzoenende offers instelde, waarbij bloed een centrale rol speelde (vet hoorde hier onder de Mozaïsche Wet ook bij). (Zie Leviticus 17:6, 10-12) De Mozaïsche Wet voegde dus dingen toe aan de wet aan Noach omtrent het verbod op bloed, omdat het bloed toevoegde als een vereist en centraal onderdeel van heilige offergaven. Daar christenen niet onder de Mozaïsche Wet omtrent heilige bloedoffers staan, bestaat deze toegevoegde (en unieke) basis voor een meer omvangrijk verbod op gebruik van bloed niet voor christenen. (Handelingen 15:7-11) Dat is precies de reden dat onze hedendaagse verplichting omtrent het onthouden van bloed niet meer en niet minder is dan waar Noach zich aan moest houden. (De eenvoudige taal in Handelingen 15:28, 29 weerspiegelt het eenvoudige verbod dat aan Noach werd opgelegd, in plaats van de toegevoegde en uitgebreide verboden uit de Mozaïsche Wet waarin bloed als heilig apart werd gezet door het gebruikt ervan te beperken tot de vereiste heilige offergaven.) En, zoals ik reeds heb geschreven in mijn brief van maart 2000, is Gods woord aan Noach onvoldoende voor ons om te concluderen dat medisch gebruik van gedoneerd bloed door Hem voor christenen is verboden.

Met deze zaken in gedachten, wil ik jullie hierbij vragen ook te reageren op mijn suggestie voor verandering van 1 maart 2000 en het addendum van 3 maart 2000. Als mijn uitleg niet duidelijk is of als jullie vragen hebben voor verduidelijking, voel jullie alsjeblieft vrij specifieke vragen te stellen zodat ik die kan beantwoorden. Als er een substantiële fout zit in mijn redenering in die suggestie, dan verneem ik graag jullie schriftelijke redenen hiervoor zodat ik daarover kan mediteren en nadenken. In dat geval zou ik ook graag een afspraak willen maken om dit onderwerp eens met jullie broeders in jullie kantoor op Bethel grondig te bespreken.

Zoals reeds aangegeven in mijn brieven van maart 2000, wees ervan overtuigd dat mijn getrouwheid intact is en dat ik geduldig zal blijven over dit onderwerp. Terwijl ik geduldig wacht, zou ik het waarderen als jullie mijn vragen, bezorgdheden en redeneringen zouden willen beantwoorden. Ik bedank jullie voor de aandacht die jullie geven aan dit verzoek.

Met vriendelijke groet,

Jullie medeslaaf van Jehovah,

[Getekend: R. Jensen]

Bijlagen:

Mijn eerdere brieven:

03/03/'00 en bijlage
01/03/'00 en bijlage
15/11/'99
31/07/'98
16/02/'98

Jullie antwoorden:

21/02/'00
24/08/'98
23/03/'98


Download via onderstaande knop het Engelse origineel van deze brief