Op 9 januari 2009 ging om ongeveer 19:15 uur de bel. Twee ouderlingen aan mijn deur. Onverwachts? Nee, niet echt. Ik zal uitleggen waarom:

Ik ging al enkele jaren niet meer naar de zaal en het enige contact dat ik nog had met mensen "in de waarheid" was wanneer ik toevallig één van hen tegenkwam op straat. Zo ook tijdens de kerst van 2008. Ik kwam een jonge broeder tegen in de supermarkt waar ik boodschappen deed met mijn meisje Ilse, met wie ik inmiddels getrouwd ben, maar waar ik destijds mee samenwoonde. We raakten in gesprek en aangezien ik geen zin had en heb om mijn meisje verborgen te houden, heb ik gewoon gezegd dat we samenwoonden. De reactie van de jonge broeder was ongeveer als volgt: "Onwijs leuk voor je, ik zou ook graag een meisje willen." Verder geen kritisch woord over de situatie behalve nog wat over zijn strikte geweten en welke moeilijkheden hij daarvan ondervond. Ik kon hem alleen maar aanraden niet zo streng voor zichzelf te zijn...

Ik heb Ilse op dat moment voorspeld dat de ouderlingen binnen enkele weken op de stoep zouden staan, omdat de jonge broeder (ondanks zijn positieve reactie richting mij) dit vast en zeker binnen no time zou doorvertellen aan de ouderlingen. En, zoals ik wel vaker heb gemerkt, en ook op deze bewuste 9de januari merkte, is de voorspelbaarheid van sommige Jehovah's Getuigen vrij groot.

De ouderlingen gaven aan dat ze benieuwd waren hoe het met me ging en dat ze me bezochten in het kader van het extra herderlijk werk dat ze deden om de inactieve personen weer op de rit te krijgen. Ze vroegen of het gelegen kwam om even met ze te praten en ik heb gezegd dat dit niet het geval was en dat ze maar een telefonische afspraak met me moesten maken als ze wilden praten. Mijn moeder zou namelijk binnen enkele ogenblikken op visite komen en ik had nog niet gegeten. Met de afspraak dat zij mij telefonisch zouden benaderen om een datum te prikken gingen zij weer weg.

We schrijven woensdagavond 14 januari 19:15 uur. Wederom ging de deurbel. Ik wist direct dat het weer de ouderlingen zouden zijn, ondanks dat we toch duidelijk hadden afgesproken dat ze mij zouden bellen voor een afspraak. En inderdaad, weer dezelfde twee ouderlingen aan de deur en daar ontspon zich een interessant gesprek.

Uiteraard kwamen ze voor dingen die ze gehoord hadden (een duidelijke wijziging met hun eerdere reden die zij op 9 januari aandroegen). Mijn moeder had volgens hen gezegd dat ik niets meer met de waarheid te maken wilde hebben. Navraag bij mijn moeder leerde mij dat ze dit niet gezegd heeft, maar dat luisteren niet de sterkste kant van deze ouderlingen is, merkte ik ook later nog. Uiteraard kwam ook de vraag over samenwonen ter sprake en hadden deze broeders kennelijk ook aanstoot genomen aan de verlichting die de hele maand december voor mijn raam hing.

Maar, eerst kregen we het (weer eens) over de bloedkwestie. Mijn doel met die discussies die ik eerder hierover heb gevoerd met ze, is niet zozeer de inhoudelijke bloedkwestie (op een ander gedeelte van deze website wordt de bloedkwestie uitgebreid inhoudelijk besproken). De bloedkwestie is wat mij betreft namelijk hét voorbeeld om aan te tonen dat het Besturend Lichaam ook maar menselijke interpretaties in de lectuur neerschrijven. Maar, wel menselijke interpretaties die aan elke Jehovah's Getuige worden opgelegd, maar in het geval van bloedtransfusie ook nog eens een menselijke interpretatie die een mogelijk te vermijden dood tot gevolg kan hebben (hetzelfde geldt overigens voor het standpunt van de "getrouwe en beleidvolle slaaf" over orgaantransplantaties - zie voetnoot 1).

Op een gegeven moment stelde ik de broeder drie vragen, die ik hieronder zo letterlijk mogelijk zal opschrijven:

Mijn eerste vraag was:

"Was het standpunt wat voorheen door het Besturend Lichaam werd uitgedragen, namelijk dat geen van de bloedfracties of later dat slechts enkelen aan het eigen geweten werden overgelaten, van Jehovah afkomstig?"

Het antwoord van de ouderling hierop was:

"Ja, dit heeft Jehovah op die manier duidelijk gemaakt in die tijd."

Mijn tweede vraag was:

"Is het huidige standpunt wat door het Besturend Lichaam wordt uitgedragen, namelijk dat ALLE bloedfracties aan het eigen geweten worden overgelaten, van Jehovah afkomstig?"

Het antwoord van de ouderling hierop was:

"Ja, dit heeft Jehovah op deze manier duidelijk gemaakt in deze tijd."

Samenvattend vroeg ik:

"Dus, zowel het oude standpunt als het nieuwe standpunt, wat haaks op het oude staat, was en is van Jehovah afkomstig?"

Wederom was het antwoord:

"Ja, dat standpunt heeft Jehovah door middel van zijn slaaf gegeven."

Mijn derde vraag was:

"Moet ik dan nu concluderen dat de personen die zijn gestorven als gevolg van [zie voetnoot 2] het oude standpunt op conto van Jehovah geschreven moeten worden, ofwel dat Jehovah de schuldige is omdat hij Zijn standpunt in deze kwestie slechts geleidelijk heeft duidelijk maakt?"

Het verbazingwekkende antwoord van de ouderling hierop was:

"Ja."

Ik:

"Dus het is Jehovah's schuld als er mensen zijn gestorven wegens een verkeerd standpunt?"

En het antwoord was wederom:

"Ja."

De volgzaamheid en loyaliteit aan standpunten van de slaaf is bij deze ouderling dus zo groot, dat hij nog liever zegt dat Jehovah schuld heeft aan doden als gevolg van "oud licht", dan dat hij een standpunt van de slaaf in twijfel trekt. Nadat ik nogmaals mijn verbazing had uitgesproken over zijn antwoord en feitelijk regelrechte godslastering, zei ik hem dat juist díe mindset in de organisatie mij tegen de borst stuitte. De loyaliteit aan het besturend lichaam gaat zelfs boven loyaliteit aan God zelf, getuige het antwoord van de ouderling. Hoe kan iemand dergelijke antwoorden geven wanneer er daarnaast gepretendeerd wordt overal waar mogelijk voor Jehovah op te komen, vroeg ik mij af.

Ik zei hem dat het onmogelijk waar kan zijn dat zowel "oud licht" (wat feitelijk een door Jehovah's Getuigen geaccepteerd synoniem voor "onwaarheid" is) als "nieuw licht" van Jehovah afkomstig is. Ik zei hem dat hij mij geen bijbels verslag zou kunnen laten lezen waarbij Jehovah zijn profeten of dienstknechten eerst van "oud licht" voorzag wat zij konden profeteren of uitdragen, waarna Jehovah deze profeten later van "nieuw licht" voorzag wat haaks stond op het "oude licht". En dan hebben we het nog niet eens gehad over standpunten die soms wel 3 of 4 maal haaksom gewijzigd zijn.

Ik zei hem dat ik dus niet anders kon concluderen dat de standpunten van het besturend lichaam slechts van menselijke aard zijn en niet van Jehovah afkomstig. Iets wat zij feitelijk zelf toegeven door te schrijven dat gezalfden geen speciale inzichten hebben of meer heilige geest ontvangen dan personen uit de grote schare en dat zij ook niet geïnspireerd zijn. Uiteraard waren de ouderlingen dit niet met mij eens, onder protest dat het tenslotte toch Jehovah's organisatie is.

Na deze verbazingwekkende discussie vroeg de ouderling me of ik nog wel één van Jehovah's Getuige wilde zijn. Waarbij hij er natuurlijk naar verwees dat je geen "lid van JG" kunt zijn en tegelijkertijd samen kunt wonen of kerstverlichting voor het raam kunt hebben. Ik zei hem dat Jehovah's getuige zijn mijn inziens niet inhoudt dat ik ergens lid van ben geworden, het is geen damclub ofzo. Ik zei hem ook dat dit in één van de laatste boekjes ("Wat Leert de Bijbel Echt?") wordt bevestigd, doordat er uitdrukkelijk gesteld wordt dat iemand zich bij zijn doop niet opdraagt aan een organisatie. Hij vroeg nogmaals of ik mijzelf nog steeds één van Jehovah's Getuigen beschouwde. Ik vroeg hem wat dat betekende. "Nou, zoals wij tweeën dat zijn," was zijn antwoord. Ik vroeg hem wat dat dan precies inhield. Het antwoord kwam erop neer dat iemand alleen een Getuige van Jehovah kan zijn als hij/zij onvoorwaardelijk geloof heeft in de slaaf en de standpunten die zij opleggen. "En bij wijzigingen moet ik zonder meer meebewegen?" vroeg ik nog. "Ja, bij wijzigingen moet je het verifiëren en meebewegen," was het eenvoudige, doch in zichzelf tegenstrijdige antwoord. Ik heb hem gezegd dat ik dan moet concluderen dat we in dat opzicht erg van elkaar verschillen en dat ik de dingen die hij Jehovah in de schoenen schuift (wat dus geldt voor ALLE gewijzigde standpunten), niet zou durven en ook nooit zou doen.

Einde van het verhaal was dat ze graag een gesprek hierover met me wilde hebben, "als het kan in de Koninkrijkszaal." Het liefste direct de zaterdag daarop (de 17de). Ik heb gezegd dat ik die dag niet kon en ook de eerst komende weken geen tijd zou hebben en dat ze me maar een schriftelijke uitnodiging moesten sturen, waarin ze ook precies aangeven waar het om gaat. Het grappige was dat ze me inderdaad een schriftelijke uitnodiging stuurde, zonder daarin aan te geven waar het precies om ging en voor zaterdag de 17de...


[1] In 1961 werd in een Vragen van Lezers (1 oktober 1961, blz. 607) gesteld dat orgaantransplantaties iets is wat elke christen voor zichzelf moest beslissen en dat "er geen enkel schriftuurlijk beginsel of bijbelse wet bij is betrokken".

Zeven jaar later in 1968 werden orgaantransplantaties in een Vragen van Lezers (1 februari 1968, blz. 94-96) gelijkgesteld met kannibalisme, een daad die weerzinwekkend is voor alle geciviliseerde mensen. Dat dit standpunt serieus genomen werd door Jehovah's Getuigen blijkt uit een ervaring van een tiener in De Wachttoren van 15 februari 1970 waarin de tiener het volgende zei:

"(...) De dag vóór de operatie kwam het hoofd van het niertransplantatieteam binnen en vroeg of ik de nier die bij mij zou worden weggenomen, zou willen afstaan aan een jonge patiënt bij wie beide nieren niet meer goed functioneerden. (...) De arts wilde mijn nier graag hebben, maar ik legde hem uit dat ik, als een van Jehovah's getuigen mij moest houden aan wat Gods wet ten aanzien van een dergelijke aangelegenheid te kennen geeft. (...) Later op die dag lichtten wij hem in over ons bijbelse standpunt met betrekking tot menselijk vlees en het gebruik ervan en citeerden de hierop betrekking hebbende passages uit Gods woord. Hij vroeg of ik wel een goed geweten kon hebben nadat ik zijn jonge patiënt; mijn nier had ontzegd. In antwoord hierop zette ik uiteen dat het niet aan mij stond mijn nier weg te geven en dat dit orgaan gebruikt moest worden overeenkomstig de wil van Degene die het had geschapen. (...)"

Pas 10 jaar later (!) werd in De Wachttoren van 5 juni 1980 opnieuw erkend dat er "geen bijbels gebod bestaat waarin het gebruik van menselijk weefsel uitdrukkelijk verboden wordt (...) Het is een kwestie waarin men een persoonlijke beslissing moet nemen."

De vraag is nu: Welk standpunt was van Jehovah afkomstig en welk standpunt van mensen?

[2] Daarmee bedoel ik uiteraard niet dat mensen sterven als gevolg van het niet nemen van een transfusie, maar wel dat ze in dat standpunt als rechtgeaarde Jehovah's Getuige eigenlijk geen keuze hadden.